De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen partijen over de vaststelling van de kinderbijdrage en de uitbreiding van de zorgregeling voor hun minderjarige kinderen. De vrouw verzocht een bijdrage van €250 per maand per kind, terwijl de man een lagere bijdrage van €25 per maand per kind stelde. De rechtbank stelde vast dat de man onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn netto besteedbaar inkomen (nbi), waardoor de rechtbank dit schattenderwijs vaststelde op €2.500 per maand.
Partijen bereikten overeenstemming over een zorgregeling waarbij de man omgang krijgt met twee van de minderjarige kinderen, met een geleidelijke uitbreiding naar een weekendregeling met overnachting. De rechtbank hanteerde de aanbevelingen van het Tremarapport voor de berekening van de kinderbijdrage en hield rekening met een zorgkorting van 5% vanwege de omgangsregeling.
De rechtbank bepaalde dat de man vanaf 1 januari 2020 een bijdrage van €106 per maand voor het oudste kind en €96 per maand per kind voor de twee jongere kinderen aan de vrouw moet betalen. De voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de hoofdzaak gelijktijdig werd behandeld. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.