Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
- het exploot van dagvaarding, met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Rotterdam
Partijen hadden van september 2018 tot februari 2019 een affectieve relatie waarbij eiseres diverse bedragen aan gedaagde overmaakte, in totaal €4.143,-, waarvan slechts €220,- werd terugbetaald. Eiseres vordert betaling van €3.923,-, stellende dat sprake is van geldleningsovereenkomsten.
Gedaagde betwist dat er geldleningsovereenkomsten zijn gesloten en voert aan dat betalingen deels voor eiseres zelf waren en dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis. Eiseres onderbouwt haar stellingen onvoldoende, ook verklaringen van derden bieden geen concreet bewijs van geldleningsovereenkomsten.
De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende feiten heeft gesteld om haar primaire vordering te onderbouwen. Ook de subsidiaire grondslag van onverschuldigde betaling faalt omdat niet is vastgesteld dat de betalingen zonder rechtsgrond zijn gedaan. De vordering wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot terugbetaling van geldlening wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.