ECLI:NL:RBROT:2020:9736

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2020
Publicatiedatum
30 oktober 2020
Zaaknummer
8025858 / CV EXPL 19-38770
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 BWArt. 7:225 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering huurachterstand en kosten vervanging sloten

In deze zaak vordert eiseres betaling van achterstallige huur over de periode november 2015 tot mei 2019, kosten voor het plaatsen van nieuwe sloten en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde betwist gedeeltelijk de huurachterstand en stelt contante betalingen en maandelijkse aflossingen te hebben gedaan, maar onderbouwt dit onvoldoende met stukken.

De kantonrechter stelt vast dat gedaagde onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stellingen, waardoor geen bewijslevering wordt toegelaten. De vordering tot betaling van €19.600,- huurachterstand wordt daarom toegewezen, evenals de wettelijke rente vanaf dagvaarding. Tevens wordt toegewezen dat gedaagde de woning onrechtmatig onder zich hield door de sleutels niet in te leveren, waardoor de kosten van €150,- voor het vervangen van de sloten voor haar rekening komen.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van €981,- worden afgewezen omdat de vereiste veertiendagenbrief ontbreekt. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken op 23 oktober 2020.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand en kosten vervanging sloten, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8025858 / CV EXPL 19-38770
uitspraak: 23 oktober 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 27 augustus 2019,
verschenen in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde] .

1..Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
 het tussenvonnis van 14 augustus 2020 van de kantonrechter van deze rechtbank, en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. [eiseres] en [gedaagde] zijn beiden in persoon verschenen. [eiseres] heeft zijn standpunt nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die aan het procesdossier zijn gevoegd. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.3.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis, na aanhouding op de rol van
9 oktober 2020, nader bepaald op heden.

2..De verdere beoordeling

2.1.
De inhoud van het tussenvonnis van 14 augustus 2020 geldt als hier herhaald en ingelast.
2.2.
[eiseres] heeft na mondelinge wijziging van eis de veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 19.600,- ter zake van achterstallige huur betrekking hebbend op de periode van november 2015 tot en met 31 mei 2019, vermeerderd met de wettelijke (vertragings)rente te rekenen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, € 150,- ter zake van de kosten voor het plaatsen van nieuwe sloten en € 981,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Ter zitting heeft [eiseres] te kennen gegeven dat op het in de dagvaarding gevorderde bedrag van € 20.600,- aan huurachterstand de door [gedaagde] bij aanvang van de huur betaalde waarborgsom van € 1.000,- in mindering strekt, zodat hij zijn vordering met betrekking tot de huurachterstand heeft verminderd tot
€ 19.600,-
2.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet gehouden is tot betaling van de (gehele) huurachterstand omdat zij de huurtermijnen gedeeltelijk contant aan [eiseres] heeft voldaan en omdat zij maandelijks aflossingen van € 100,- op de huurachterstand heeft gedaan middels de betaling van het postadres van [naam] .
2.4.
[eiseres] heeft betwist dat [gedaagde] de verschuldigde huur gedeeltelijk contant heeft voldaan, dat hij voor die contante betalingen kwitanties heeft verstrekt en dat [gedaagde] die kwitanties op zijn verzoek weer aan hem heeft teruggeven, zodat hij zijn administratie op orde kon brengen, zoals [gedaagde] heeft gesteld. Volgens [eiseres] is het slechts twee of drie keer voorgekomen dat [gedaagde] een huurtermijn contant heeft betaald. Bij die betalingen is in het systeem een ‘C’ geregistreerd en voor die betalingen heeft [eiseres] een kwitantie uitgeschreven, die [gedaagde] overigens nooit aan hem heeft teruggeven. [eiseres] heeft ook nooit aangedrongen op teruggave van die kwitanties en er is al helemaal geen sprake van dat hij zijn administratie op orde moest brengen, zoals [gedaagde] heeft gesteld. De overige betalingen zijn giraal gedaan, mede omdat de hypotheekverstrekker vereist dat er geen contante betalingen plaatsvinden. Daarnaast heeft [eiseres] betwist dat [gedaagde] maandelijks
€ 100,- heeft afgelost via het postadres van [naam] . [gedaagde] doelt kennelijk op de door [eiseres] verleende korting op de huurprijs, zoals omschreven in 2.1 onder de vaststaande feiten van het tussenvonnis van 14 augustus 2020.
2.5.
Ondanks de betwistingen van [eiseres] heeft [gedaagde] geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die – indien bewezen – tot het oordeel zouden kunnen leiden dat zij wel degelijk contante huurbetalingen aan [eiseres] heeft gedaan naast de genoemde twee of drie huurtermijnen en dat zij maandelijkse aflossingen van €100,- op de huurachterstand heeft gedaan. [gedaagde] heeft haar standpunt onvoldoende (met stukken) onderbouwd. Dit betekent dat er geen reden is haar toe te laten tot bewijslevering en dat de vordering van € 19.600,- ter zake van de huurachterstand wordt toegewezen.
2.6.
Nu tegen de gevorderde wettelijke (vertragings)rente geen afzonderlijk verweer is gevoerd, wordt de vordering ter zake de wettelijke (vertragings)rente toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
2.7.
[gedaagde] was op grond van artikel 7:224 BW Pro verplicht de woning bij het einde van de huur weer ter beschikking van [eiseres] te stellen. Zij heeft echter erkend dat zij in mei 2019 na de beëindiging van de huurovereenkomst de sleutels van de woning niet heeft ingeleverd bij [eiseres] . Door die sleutels niet in te leveren, heeft zij de woning niet ter beschikking gesteld aan [eiseres] en de woning onrechtmatig onder zich houden. In een dergelijke situatie is de huurder op grond van artikel 7:225 lid 1 BW Pro in beginsel een vergoeding aan de verhuurder verschuldigd gelijk aan de huurprijs. [eiseres] heeft, mede ter voorkoming van verdere schade van [gedaagde] , de sloten (laten) vervangen zodat hij weer over de woning kon beschikken en de woning aan een derde kon verhuren. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de kosten voor het vervangen van de sloten voor rekening van [gedaagde] dienen te komen. De vordering van € 150,- ter zake de kosten voor het plaatsen van nieuwe sloten wordt daarom toegewezen.
2.8.
[eiseres] vordert voorts een bedrag van € 981,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 6:96 lid 6 BW Pro vereist voor toewijzing van een dergelijke vordering dat [gedaagde] door [eiseres] vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen aanvangende de dag na aanmaning, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling (hierna: de veertiendagenbrief). Nu de veertiendagenbrief in de onderhavige procedure ontbreekt bij de door [eiseres] overgelegde stukken, worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.9.
[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, bestaande uit verschotten en noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten. De verschotten worden vastgesteld op € 99,01 aan explootkosten en € 486,00 aan griffierecht. Aan noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten wordt een bedrag van € 180,- toegekend.

3..De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 19.750,-, aan achterstallige huur en de kosten ter vervanging van het slot, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro over € 19.600,- vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 585,01 aan verschotten en € 180,- aan noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
46009