De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep tegen een huisverbod dat door de burgemeester van Rotterdam was opgelegd op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth). Het huisverbod werd ingesteld vanwege een ernstig incident waarbij verzoeker, zijn partner en kinderen betrokken waren, waarbij sprake was van een ernstig vermoeden van gevaar voor de veiligheid in de woning.
Verzoeker stelde dat er geen gevaar was en dat het huisverbod onterecht was opgelegd. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het incident, waarbij onder meer vernieling en letsel ontstond in aanwezigheid van jonge kinderen, voldoende aanleiding gaf voor het huisverbod. Er was ook sprake van alcoholgebruik en mislukte pogingen tot de-escalatie.
De belangenafweging wees uit dat de veiligheid en rust van de achterblijvers zwaarder wogen dan het belang van verzoeker om terug te keren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening en proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het huisverbod bleef van kracht voor de resterende duur van tien dagen, met de mogelijkheid tot verlenging indien nodig.