ECLI:NL:RBROT:2020:9947

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juli 2020
Publicatiedatum
5 november 2020
Zaaknummer
C/10/598491 / FA RK 20-4325 (beroep)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WthArt. 9 WthArt. 8:75 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging huisverbod opgelegd zonder bevoegdheid en afwijzing schadevergoeding

Bij besluit van 15 juni 2020 legde de burgemeester van Rotterdam een huisverbod op aan eiser voor een woning aan een adres te Rotterdam. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om een schadevergoeding van € 50,-. De rechtbank oordeelde dat het huisverbod onrechtmatig was omdat eiser niet vast of anders dan incidenteel op de locatie verbleef en het incident waarop het huisverbod was gebaseerd, plaatsvond op 10 februari 2020, ruim vóór het opleggen van het huisverbod.

De rechtbank stelde vast dat de burgemeester niet bevoegd was het huisverbod op te leggen, aangezien de wettelijke voorwaarden uit artikel 2 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod niet waren vervuld. Het gevaar voor de veiligheid van personen die met eiser in de woning wonen of daar anders dan incidenteel verblijven, ontbrak op het moment van het besluit. Het beroep werd daarom gegrond verklaard en het huisverbod vernietigd.

Ten aanzien van de schadevergoeding oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij schade had geleden door het huisverbod. De aanhouding en inverzekeringstelling waren handelingen van het Openbaar Ministerie en niet van verweerder. Zonder nadere onderbouwing kon niet worden aangenomen dat eiser schade had geleden door het huisverbod. De gevraagde schadevergoeding werd daarom afgewezen.

De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van € 525,-. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het huisverbod vernietigd en de schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank ROTTERDAM

Team familie
Reg.nr.: C/10/598491 / FA RK 20-4325 (beroep)
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
wonende te [postcode eiser] [woonplaats eiser] , [adres eiser] ,
gemachtigde mr. I. Car,
en
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde mr. V.E. van Dijk,
in welke zaak belanghebbende is:
[naam belanghebbende], achterblijfster,
wonende te [postcode belanghebbende] [woonplaats belanghebbende] , [adres belanghebbende] .

1..Ontstaan en loop van de procedure

1.1.
Bij besluit van 15 juni 2020 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan eiser ten aanzien van de woning aan de [adres] te Rotterdam.
1.2.
Bij brief van 17 juni 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Bij besluit van 18 juni 2020 heeft verweerder het huisverbod ingetrokken.
1.4.
Bij brief van 19 juni 2020 heeft eiser het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken en heeft hij in de beroepsprocedure verzocht om verweerder te veroordelen een schadevergoeding van € 50,- te voldoen.
1.5.
Verweerder heeft op 6 juli 2020 een verweerschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft partijen bericht dat de zaak geschikt is om schriftelijk af te doen. Eiser, verweerder en belanghebbende zijn in de gelegenheid gesteld om binnen zeven dagen aan de rechtbank kenbaar te maken of zij gebruik willen maken van hun recht om ter zitting te worden gehoord.
Eiser en belanghebbende hebben niet aangegeven dat zij gebruik willen maken van hun recht om te worden gehoord. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 20 juli 2020 bericht dat zij instemt met het schriftelijk afdoen van de zaak.

2..Overwegingen

2.1.
Weergave bestreden besluit en beroep
2.1.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser, ten aanzien van de woning aan de [adres] te Rotterdam, een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van eiser in de woning aan de [adres] (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen, te weten achterblijfster.
2.1.2.
Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 50,-. Tevens wordt verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2.
Gronden van het beroep
2.2.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 Wth Pro.
2.2.2.
De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen.
2.2.3.
Het huisverbod is opgelegd voor een locatie van het Leger des Heils waar eiser tijdens het opleggen van het bestreden besluit (15 juni 2020) noch daarna vast verbleef, en ook niet anders dan incidenteel verbleef. Achterblijfster staat sinds 12 juni 2020 en dus al voor de datum waarop het bestreden besluit is genomen, niet (meer) ingeschreven op dit adres, en verblijft daar vanaf 15 juni 2020 niet en ook niet anders dan incidenteel.
Al op deze grond ontbrak het verweerder aan de bevoegdheid een huisverbod op te leggen.
Daarbij heeft het incident waarvoor het huisverbod is opgelegd op 10 februari 2020 plaatsgevonden en hebben na het incident geen nieuwe incidenten plaatsgevonden. Gelet hierop was er op het moment van het opleggen van het huisverbod geen sprake van een (vermoeden) van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van één of meer personen die met eiser in een woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven. Ook op deze grond ontbrak het verweerder aan de bevoegdheid een huisverbod op te leggen.
2.2.4.
Gezien vorenstaande was verweerder niet bevoegd het huisverbod op te leggen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2 van Pro de Wth, zodat het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
2.3.
Schadevergoeding
2.3.1.
Eiser verzoekt verweerder te veroordelen om de door de hem geleden schade te vergoeden ten bedrage van € 50,-. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden doordat zijn vrijheidsbeperking, door toedoen van verweerder, nodeloos lang heeft geduurd. Eiser heeft aangevoerd dat hij, in afwachting van het huisverbod, langer dan nodig in verzekering is gesteld.
2.3.2.
Op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechter een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade die wordt geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit, een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van het onrechtmatig besluit, het niet tijdig nemen van een besluit of een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan.
2.3.3.
Eiser is op 15 juni 2020 door de politie aangehouden naar aanleiding van een aangifte die op 10 februari 2020 door achterblijfster is gedaan. Vervolgens is eiser in verzekering gesteld. Eiser is op 16 juni 2020 door de politie heengezonden.
2.3.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit tot het opleggen van het huisverbod. Eiser heeft zijn stelling dat hij langer op het politiebureau moest blijven omdat het huisverbod werd voorbereid, niet nader onderbouwd. De aanhouding, het verhoor en de inverzekeringstelling zijn in beginsel aan te merken als handelingen van de Officier van Justitie en niet als (voorbereidings)handelingen van verweerder. Niet gebleken is dat dat in dit geval anders is geweest.
Ook anderszins is niet gebleken dat eiser schade heeft geleden door het handelen van verweerder. Het huisverbod is opgelegd ten aanzien van een adres waar eiser niet verbleef, zodat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet vast is komen te staan dat eiser schade heeft geleden doordat aan hem een huisverbod was opgelegd.
Nu niet is gebleken dat eiser schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een onrechtmatige handeling van verweerder, wordt de verzochte schadevergoeding afgewezen.
2.4.
Proceskosten
2.4.1.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het beroepschrift in combinatie met het verzoekschrift) met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Voor het toekennen van 2 punten aan het verzoekschrift en beroepschrift ziet de rechtbank geen aanleiding.
2.4.2.
Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid van de Awb de betaling aan de rechtshulpverlener te geschieden.

3..Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond,
 vernietigt het bestreden besluit,
 wijst het verzoek om schadevergoeding af,
 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-.
Aldus gedaan door mr. D.I. Hendriks-Van Wel, rechter, en door deze en mr. A.F.H. Domenie, griffier, ondertekend.
De griffier: De rechter:
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2020.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op: