ECLI:NL:RBROT:2021:10002
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk in vervolging rechtspersoon wegens beëindiging bestaan
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een rechtspersoon die werd verdacht van het zonder vergunning uitvoeren van aceton naar Syrië, in strijd met de Sanctiewet 1977. De tenlasteleggingen betroffen twee perioden in 2016 en 2017 waarin grote hoeveelheden aceton werden geëxporteerd zonder de vereiste vergunning.
Tijdens de terechtzitting op 30 september 2021 stelde de officier van justitie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Dit omdat de rechtspersoon op 11 december 2019 was ontbonden en daarmee was opgehouden te bestaan voordat de vervolging op 15 januari 2020 werd gestart.
De rechtbank oordeelde dat het recht tot strafvordering vervalt indien de rechtspersoon is opgehouden te bestaan voordat de strafvervolging is begonnen. Aangezien de ontbinding op 11 december 2019 voor derden kenbaar was en de vervolging pas daarna werd aangevangen, verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk. De tenlasteleggingen en bijlagen maakten integraal deel uit van het vonnis.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de rechtspersoon omdat de vervolging pas begon nadat de rechtspersoon was opgehouden te bestaan.