Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord toe te passen tegen één schuldeiser die niet akkoord ging met een aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorzag in een gedeeltelijke betaling aan schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker die een IOAW-uitkering ontvangt en binnenkort met pensioen gaat.
De weigerende schuldeiser stelde dat verzoeker niet te goeder trouw handelde vanwege een onbetaald bedrag dat voortkwam uit een fout bij een notaris in 2016. Ondanks oproep verscheen deze schuldeiser niet ter zitting. De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan het belang van de weigeraar.
De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en goed gedocumenteerd. Verzoeker beschikt niet over betaald werk en heeft een stabiele financiële situatie onder beschermingsbewind. De rechtbank acht het voorstel het uiterste dat verzoeker kan bieden en wijst het verzoek tot dwangakkoord toe, terwijl het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.