ECLI:NL:RBROT:2021:10076

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 oktober 2021
Publicatiedatum
15 oktober 2021
Zaaknummer
FT EA 21/1063
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot dwangakkoord op grond van onvoldoende aannemelijkheid maximale afloscapaciteit

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers met een uitkeringspercentage van circa 13,84% aan preferente en 6,92% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar Participatiewet-uitkering en prognoses van haar afloscapaciteit.

Negentien schuldeisers stemden in met het voorstel, maar twee schuldeisers, samen goed voor 21,5% van de totale schuld, weigerden in te stemmen. Verzoekster vroeg de rechtbank om deze schuldeisers te bevelen mee te werken aan het akkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet.

De rechtbank overweegt dat het voorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd moet zijn en moet aantonen dat het het uiterste is wat verzoekster financieel kan bieden. Dit is niet aannemelijk gemaakt omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij na afloop van haar sollicitatieverplichting zich maximaal zal inspannen om betaald werk te vinden.

De schuldhulpverlener verklaarde dat controle op sollicitatieactiviteiten slechts eens per jaar plaatsvindt, minder strikt dan bij een wettelijke schuldsaneringsregeling. Hierdoor is het prognoseakkoord financieel minder gunstig voor schuldeisers dan een wettelijke regeling.

Daarom weegt het belang van de weigerende schuldeisers zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers, en wordt het verzoek afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het voorstel het uiterste is wat verzoekster financieel kan bieden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 11 oktober 2021
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 19 augustus 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om twee schuldeisers, te weten:
  • [naam schuldeiser 1] (hierna: [naam schuldeiser 1]);
  • [naam schuldeiser 2] (hierna: [naam schuldeiser 2]);
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[naam schuldeiser 2] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 4 oktober 2021 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw L.M. Kleijn, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift eenenwintig schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering, negentien concurrente schuldeisers met negentien vorderingen en één schuldeiser met een preferente en een concurrente vordering. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 19.747,32 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 26 maart 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 13,90 % aan de preferente schuldeisers en 6,95 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Dit percentage was destijds gebaseerd op een (lagere) schuldenlast van € 19.635,41. Uitgaande van de schuldenlast van
€ 19.747,32 is het uitkeringspercentage verlaagd naar 13,84 % aan de preferente schuldeisers en 6,92 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering (hierna: PW-uitkering). De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Ter zitting is besproken dat verzoekster tot 29 oktober 2021 is vrijgesteld van haar sollicitatieverplichting in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Voorafgaand aan dit verlof werkte zij enige tijd twee uur per dag. Zij heeft eerder nooit fulltime gewerkt en heeft verklaard dat zij vanaf 29 oktober 2021 ook niet van plan is om fulltime te werken.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Negentien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] stemmen hier niet mee in. Zij hebben samen een vordering van € 4.254,44 op verzoekster, welke 21,5 % van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In haar contacten met schuldhulpverlening heeft [naam schuldeiser 1] te kennen gegeven dat zij niet akkoord gaat met de aangeboden regeling omdat het niet binnen haar beleid past op vrijwillige basis een deel van de schuld kwijt te schelden.
In de contacten met schuldhulpverlening en in haar verweerschrift heeft [naam schuldeiser 2] – samengevat – te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Het aanbod zou niet in verhouding staan tot de totale vordering. Ook zou geen sprake zijn van een problematische schuldensituatie. In de visie van [naam schuldeiser 2] heeft verzoekster niet geprobeerd haar schuld aan [naam schuldeiser 2] buitengerechtelijk op te lossen. Desondanks is [naam schuldeiser 2] bereid een afbetalingsregeling te treffen waarbij voor de hoogte van het af te betalen bedrag rekening wordt gehouden met de schulden van andere schuldeisers zodat er naar redelijkheid en verhouding wordt afbetaald.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het voorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd dient te zijn. Uit het voorstel moet voldoende blijken dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoekster financieel in staat moet worden geacht. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is nu niet is vast komen te staan dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Immers, verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk weten te maken dat zij zich na afloop van de ontheffing van de sollicitatieverplichting op 29 oktober 2021 maximaal zal inspannen om betaald werk (in geval van volledige arbeidsgeschikt: 36 uur per week) te vinden. De schuldhulpverlener heeft dienaangaande ter terechtzitting verklaard dat het beleid van haar organisatie is dat een schuldenaar eens per jaar op sollicitatieactiviteiten wordt gecontroleerd (heronderzoek).
De rechtbank kan er niet van uitgaan dat bij de uitvoering van het thans voorliggende prognosevoorstel de controle van het nakomen van de sollicitatieplicht plaatsvindt op een wijze die overeenkomt met die controle tijdens de uitvoering van een wettelijke schuldsaneringsregeling.
Door die minder stringente controle bij de uitvoering van een prognosevoorstel krijgt het belang van de schuldeisers minder aandacht dan bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsreling, hetgeen maakt dat het er niet voor kan worden gehouden dat met dit prognoseakkoord voor de schuldeisers een financieel beter resultaat kan worden bereikt dan met een wettelijk schuldsaneringstraject waarin nakoming van de sollicitatieplicht regelmatiger en meer nauwgezet wordt gecontroleerd. Daarmee voldoet het aangeboden prognoseakkoord – in vergelijking met de wettelijke schuldsaneringsregeling – niet aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat het voorstel van verzoekster het maximaal haalbare is.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom afgewezen.
Gelet op het voorgaande behoeven de verweren van [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] geen nadere bespreking.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2021. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.