Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers met een uitkeringspercentage van circa 13,84% aan preferente en 6,92% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar Participatiewet-uitkering en prognoses van haar afloscapaciteit.
Negentien schuldeisers stemden in met het voorstel, maar twee schuldeisers, samen goed voor 21,5% van de totale schuld, weigerden in te stemmen. Verzoekster vroeg de rechtbank om deze schuldeisers te bevelen mee te werken aan het akkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet.
De rechtbank overweegt dat het voorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd moet zijn en moet aantonen dat het het uiterste is wat verzoekster financieel kan bieden. Dit is niet aannemelijk gemaakt omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij na afloop van haar sollicitatieverplichting zich maximaal zal inspannen om betaald werk te vinden.
De schuldhulpverlener verklaarde dat controle op sollicitatieactiviteiten slechts eens per jaar plaatsvindt, minder strikt dan bij een wettelijke schuldsaneringsregeling. Hierdoor is het prognoseakkoord financieel minder gunstig voor schuldeisers dan een wettelijke regeling.
Daarom weegt het belang van de weigerende schuldeisers zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers, en wordt het verzoek afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.