Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:10161

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 september 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
C/10/622218 / JE RK 21-1947
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wegens blijvende opvoedingsondersteuning

De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen, wonende bij hun moeder in Rotterdam. Hoewel de moeder positieve stappen heeft gezet, zoals het verkrijgen van een eigen woning en het afronden van een opleiding, blijft er sprake van een instabiele opvoedsituatie door haar cognitieve beperkingen en onvoldoende voortgang in de hulpverlening.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over drie van de kinderen, samen met de vader over het jongste kind. De GI benadrukt dat de moeder structurele opvoedingsondersteuning nodig heeft en dat de overdracht van begeleiding van het wijkteam naar een andere instantie zorgvuldig moet verlopen. De moeder erkent verbeteringen, maar twijfelt aan de noodzaak van hulpverlening vanwege eerdere ervaringen.

De kinderrechter concludeert dat het wettelijke criterium voor verlenging van de ondertoezichtstelling is vervuld, mede omdat de overdracht van hulpverlening nog niet heeft plaatsgevonden en de moeder mogelijk niet volledig openstaat voor ondersteuning. Daarom wordt de ondertoezichtstelling met zes maanden verlengd, met de nadruk op het toezien op acceptatie van hulpverlening en een zorgvuldige overdracht.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wordt verlengd tot 24 maart 2022.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens : C/10/622218 / JE RK 21-1947
datum uitspraak: 13 september 2021

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam
betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[naam minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,
[naam minderjarige 3], geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] ,
[naam minderjarige 4],
geboren op [geboortedatum minderjarige 4] 2018 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,
en

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader van [voornaam minderjarige 4] , wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 juli 2021, ingekomen bij de griffie op
15 juli 2021;
- het verweerschrift d.d. 6 september 2021 van de zijde van de advocaat van de moeder,
mr. K. Logtenberg.
Op 13 september 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. K. Logtenberg,
- een vertegenwoordigster van de GI, mevr. [naam vertegenwoordigster] .
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder. Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 4] wordt uitgeoefend door de ouders.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wonen bij de moeder.
De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland te Almere heeft bij beschikking van 22 september 2020 de ondertoezichtstelling verlengd tot 24 september 2021.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4]
te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het is positief te noemen dat de moeder inmiddels een eigen woning in Rotterdam heeft en dat zij haar opleiding heeft afgerond. De hulpverlening komt echter onvoldoende van de grond. De hulpverleners staan regelmatig voor een dichte deur op afspraken. Het heeft lang geduurd voordat de moeder haar handtekening heeft gezet voor de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voor speciaal basisonderwijs. Als de GI er niet was geweest was het waarschijnlijk niet gelukt, aangezien de plekken binnen het speciaal basisonderwijs maar voor een bepaalde tijd gereserveerd kunnen blijven. De moeder heeft nu de ondersteuning van het wijkteam en daar is een klik mee. Echter, het wijkteam zal binnenkort de begeleiding moeten overdragen aan een andere instantie. De GI acht het van belang dat dit zorgvuldig gebeurt. De jeugdbeschermer zal er ook op toezien dat de moeder de nieuwe hulpverlener toelaat. De GI is immers van mening dat de moeder structurele opvoedingsondersteuning nodig heeft en dit zou in het vrijwillige kader kunnen, maar dan dient de moeder hier wel voor open te staan.

Het standpunt van belanghebbende

Namens en door de moeder is primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair de ondertoezichtstelling voor kortere duur toe te wijzen. Sinds de moeder in Rotterdam woont, gaat het een stuk beter met haar. Zij heeft haar diploma Verzorgende individuele gezondheidszorg behaald en zij heeft een eigen woning. Er is meer rust ontstaan, mede doordat zij ook haar netwerk om zich heen heeft in Rotterdam. De moeder dacht dat haar handtekening niet nodig was voor het speciaal basisonderwijs, aangezien dit tegen haar is gezegd. De mailwisseling die als bijlage bij het verweerschrift ziet, laat dit ook zien. De moeder is bereid om samen te werken met de hulpverlening, maar haar vertrouwen is geschaad door de GI in Lelystad.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken. Er waren ernstige zorgen over de algehele ontwikkeling van de kinderen en de instabiele opvoedomgeving waarin zij opgroeiden, waarbij sprake was van pedagogische verwaarlozing. Inmiddels heeft de moeder een eigen woning in Rotterdam en zij heeft haar leven meer op orde. Dit is een positieve ontwikkeling. Door de cognitieve beperking van de moeder, heeft zij echter blijvend behoefte aan de ondersteuning om aan haar kinderen een stabiele, voorspelbare en veilige opvoeding te bieden. Het wijkteam, waarmee een vertrouwensband is opgebouwd en waaraan de moeder nu haar medewerking verleent, zal binnenkort de begeleiding overdragen aan een andere instantie. Gelet hierop en nu de moeder ter zitting heeft aangegeven de hulpverlening niet nodig te achten naast haar netwerk, acht de kinderrechter het van belang dat de jeugdbeschermer erop zal toezien dat de moeder de hulpverlening blijft accepteren en dat de overdracht van de hulpverlening zorgvuldig zal plaatsvinden. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur verlengen, aangezien de kans bestaat dat de overdracht van de hulpverlening binnen drie maanden nog niet heeft plaatsgevonden.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] verlengen voor de duur van zes maanden.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] tot
24 maart 2022;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Benaissa, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
J.A. van Soest als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2021.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 september 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.