ECLI:NL:RBROT:2021:10199
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over terugvordering bijstand wegens stortingen en bijschrijvingen van derden
Eiseres ontvangt sinds februari 2020 een bijstandsuitkering en werd geconfronteerd met een terugvordering wegens niet gemelde stortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekening in de periode maart tot en met augustus 2020. Verweerder stelde dat eiseres de inlichtingenplicht had geschonden omdat zij niet tijdig melding maakte van deze bedragen, die zij vrijelijk kon gebruiken.
Eiseres voerde aan dat bepaalde bedragen bestemd waren voor haar ex-partner, die na detentie haar bankrekening gebruikte omdat hij zelf geen rekening had. Zij stelde dat zij deze bedragen niet hoefde te melden omdat zij er niet door werd verrijkt en dat het totaalbedrag lager was dan het vrij te laten vermogen. Tevens stelde zij dat er dringende redenen waren om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien vanwege haar psychische problemen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres aannemelijk had gemaakt dat zij over specifieke stortingen en bijschrijvingen redelijkerwijs niet kon beschikken, zoals bedragen die bestemd waren voor haar ex-partner en betalingen voor zijn opleiding en schulden. Deze bedragen zijn ten onrechte tot de middelen gerekend. Voor de overige bedragen was onvoldoende aannemelijk dat eiseres er niet over kon beschikken, waardoor zij haar inlichtingenplicht schond en terugvordering terecht is.
De rechtbank verklaarde het bestreden besluit gebrekkig en gaf verweerder vier weken de tijd om het terugvorderingsbedrag te herberekenen. De procedure wordt voortgezet met inachtneming van de genoemde overwegingen en zonder nieuwe zitting, tenzij verweerder het gebrek niet herstelt. De uitspraak betreft een tussenuitspraak en verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en geeft verweerder vier weken om het terugvorderingsbedrag te herberekenen.