ECLI:NL:RBROT:2021:10270

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 oktober 2021
Publicatiedatum
21 oktober 2021
Zaaknummer
C/10/616581 / HA ZA 21-324
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 Brussel I bis-VoArt. 4 Brussel I bis-VoArt. 7 lid 1 RvArt. 1022 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst incidentele vordering tot onbevoegdverklaring wegens arbitragebeding af

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van €250.000 wegens vermeende onrechtmatige daad en/of tekortkoming bij aankoop van cryptovaluta. Gedaagden vorderen in een incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart vanwege een arbitragebeding in de overeenkomst tussen aan eiser en aan gedaagden gelieerde vennootschappen.

De rechtbank onderzoekt de internationale bevoegdheid en oordeelt dat zij bevoegd is, ook ten aanzien van de gedaagde met woonplaats buiten de EU, vanwege samenhang tussen vorderingen. Het arbitragebeding geldt volgens de rechtbank slechts tussen de vennootschappen en niet tussen eiser en de individuele gedaagden, die geen partij zijn bij de overeenkomst.

Eiser betwist het bestaan van de overeenkomst en stelt dat zijn vordering primair is gebaseerd op onrechtmatige daad, waarvoor geen forumkeuze geldt. De rechtbank wijst de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af en veroordeelt gedaagden in de proceskosten van het incident. De zaak wordt op 24 november 2021 voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af en veroordeelt gedaagden in de kosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/616581 / HA ZA 21-324
Vonnis in incident van 13 oktober 2021
in de zaak van
[persoon A],
wonende te [woonplaats A] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. M.P.V. den Engelsman te Rotterdam,
tegen

1..[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,
2.
[persoon C],
wonende te [woonplaats C] ( [land C] ),
3.[persoon D],
wonende te [woonplaats D] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam.
Eiser wordt hierna [persoon A] genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk [persoon B] c.s. genoemd en afzonderlijk [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] .

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 28 december 2020, met productie 1,
  • de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, met producties 1 tot en met 9,
  • de incidentele conclusie van antwoord, met producties 2 tot en met 7,
  • de incidentele conclusie van repliek, met producties 10 tot en met 14,
  • de incidentele conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2..De vorderingen in de hoofdzaak

2.1.
[persoon A] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon B] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250.000,00 aan [persoon A] , te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 13 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,
II. [persoon B] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.025,00 aan [persoon A] , te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 28 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,
III. [persoon B] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien deze kosten niet uiterlijk binnen zeven dag na het betekenen van het vonnis zijn voldaan,
IV. [persoon B] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, zulks te begroten op € 157,00 zonder betekening en € 239,00 met betekening van het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente indien deze kosten niet uiterlijk binnen zeven dagen na het betekenen van het vonnis zijn voldaan.
2.2.
[persoon A] legt primair aan zijn vorderingen ten grondslag dat [persoon B] c.s. een onrechtmatige daad jegens hem gepleegd hebben en voert daartoe het volgende aan. [persoon A] heeft € 250.000,00 betaald aan [persoon B] c.s. voor de aankoop van cryptovaluta. [persoon B] c.s. hebben [persoon A] met deze aankoop opgelicht, omdat zij de cryptovaluta en de aanspraken op de toekomstige cryptovaluta nooit aan [persoon A] hebben geleverd. Subsidiair legt [persoon A] aan zijn vorderingen ten grondslag dat [persoon B] c.s. toerekenbaar tekort zijn gekomen in de nakoming voor zover er een overeenkomst geldt tussen partijen.

3..Het geschil in het incident

3.1.
[persoon B] c.s. vorderen, uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van [persoon A] , met veroordeling van [persoon A] in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in het incident, waaronder de door [persoon B] c.s. betaalde griffierechten en het salaris van de advocaat van [persoon B] c.s., alsmede veroordeling van [persoon A] in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
[persoon A] voert verweer en concludeert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot afwijzing van de incidentele vordering, met hoofdelijke veroordeling van [persoon B] c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien de proceskosten niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, alsmede de nakosten, zulks te begroten op € 205,00 zonder betekening en € 286,00 met betekening van het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente indien de nakosten niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.

4..De beoordeling in het incident

Internationale bevoegdheid

4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [persoon C] buiten Nederland zijn woonplaats heeft, namelijk in de Verenigde Arabische Emiraten. De rechtbank is derhalve ambtshalve gehouden te onderzoeken of zij internationaal bevoegd is.
4.2.
[persoon C] heeft geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie en dus wordt de rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van hem geregeld in het nationale Nederlandse recht (artikel 6, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis-Vo)). De in artikel 6 Brussel Pro I bisVo genoemde uitzonderingen doen zich immers niet voor.
4.3.
De rechtbank is internationaal bevoegd ten aanzien van [persoon B] en [persoon D] , omdat deze woonplaats hebben in haar rechtsgebied (artikel 4 Brussel Pro I bisVo). De rechtbank ontleent haar internationale bevoegdheid ten aanzien van [persoon C] aan artikel 7 lid 1 Rv Pro. In artikel 7 lid 1 Rv Pro is bepaald dat:
Indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke samenhang tussen de vorderingen tegen [persoon B] c.s. bestaat, waardoor de Nederlandse rechter – internationaal – bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak tegen alle drie de gedaagden.
Arbitragebeding
4.4.
[persoon B] c.s. leggen aan hun incidentele vordering het volgende ten grondslag.
4.4.1.
De vorderingen van [persoon A] vloeien voort uit de op 6 september 2018 gesloten overeenkomst, genaamd “ de Token Agreement ” (hierna: de overeenkomst), tussen de aan [persoon A] gelieerde vennootschap “International Metal Trading B.V.” (hierna: IMT) en de aan [persoon B] en [persoon C] gelieerde vennootschap “Securix FZ-LLC” (hierna: Securix). Op grond van deze overeenkomst heeft IMT voor een bedrag van € 250.000,00 aan cryptomunten genaamd “SRXIO-tokens” gekocht van Securix. [persoon A] vordert het aankoopbedrag van deze cryptomunten terug van [persoon B] c.s.
4.4.2.
Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Securix van toepassing. Op pagina 4 van de algemene voorwaarden is een arbitragebeding opgenomen. Gelet op het arbitragebeding dienen alle geschillen die verband houden met de overeenkomst te worden beslecht door arbitrage. De rechtbank is op grond van het arbitragebeding en artikel 1022 Rv Pro onbevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.
4.5.
[persoon A] betwist dat hij de overeenkomst heeft getekend en voert voorts aan dat – indien [persoon B] c.s. er in zouden slagen te bewijzen dat [persoon A] de overeenkomst heeft getekend – het bestaan van de overeenkomst niks afdoet aan de primaire grondslag van de vordering, namelijk dat [persoon B] c.s. een onrechtmatige daad jegens [persoon A] hebben gepleegd. Bij de grondslag onrechtmatige daad dient eiser de gedaagde in de woonplaats van gedaagde te dagvaarden, aangezien het in rechte optreden uit hoofde van onrechtmatige daad geen forumkeuze kent. De rechtbank is hierdoor bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak.
4.6.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het arbitragebeding uit de algemene voorwaarden waar [persoon B] c.s. zich op beroepen ziet op de (vermeende) overeenkomst tussen [persoon A] en Securix. [persoon B] c.s. hebben geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat zij in privé partij zijn bij die overeenkomst. Uit hun stellingen kan dan ook niet volgen dat zij zich op het arbitragebeding kunnen beroepen.
Conclusie
4.7.
Het voorgaande brengt mee dat de incidentele vordering van [persoon B] c.s. moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.
Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad
4.8.
[persoon B] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [persoon A] worden begroot op € 563,00 (1 punt à € 563,00).
4.9.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld, met toepassing van de per 1 februari 2021 geldende tarieven; het meer gevorderde wordt afgewezen.
4.10.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu het verzoek daartoe is gegrond op de wet en het niet is weersproken door [persoon B] c.s..

5..De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst af de vordering van [persoon B] c.s.;
5.2.
veroordeelt [persoon B] c.s. hoofdelijk in de kosten van het incident, aan de zijde van [persoon A] tot op heden begroot op € 563,00;
5.3.
veroordeelt [persoon B] c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, indien [persoon B] c.s. niet uiterlijk veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden te vermeerderen met € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.4.
verklaart onderdelen 5.2 en 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af de vordering tot veroordeling in de nakosten, voor zover meer is gevorderd dan onder 5.3 is toegewezen;
in de hoofdzaak
5.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
24 november 2021voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en op 13 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar.
3360/2083/1407