Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van een cliënte met een verstandelijke beperking, verblijvend in een verpleeghuis. De burgemeester had reeds een last tot inbewaringstelling genomen vanwege ernstig dreigend nadeel.
Tijdens de mondelinge behandeling, die via beeld- en geluidverbinding plaatsvond, werden de cliënte, haar advocaat en een specialist ouderengeneeskunde gehoord. Uit de medische verklaring en het indicatiebesluit bleek dat de cliënte functioneert op een zeer laag verstandelijk niveau, geen ziektebesef heeft en ernstige oordeel- en kritiekstoornissen vertoont. Zij is volledig afhankelijk voor persoonlijke verzorging en toont verzet tegen opname.
De rechtbank oordeelde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, zoals risico op ernstig lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang, veroorzaakt door het gedrag van cliënte. Voorts is voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en proportioneel, omdat minder ingrijpende alternatieven ontbreken. De machtiging werd verleend voor zes weken, tot en met 4 maart 2021.