Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:1029

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2021
Publicatiedatum
10 februari 2021
Zaaknummer
C/10/611664 / FA RK 21-416
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorgArtikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing machtiging voortzetting inbewaringstelling psychogeriatrische cliënt

Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van een cliënte met een verstandelijke beperking, verblijvend in een verpleeghuis. De burgemeester had reeds een last tot inbewaringstelling genomen vanwege ernstig dreigend nadeel.

Tijdens de mondelinge behandeling, die via beeld- en geluidverbinding plaatsvond, werden de cliënte, haar advocaat en een specialist ouderengeneeskunde gehoord. Uit de medische verklaring en het indicatiebesluit bleek dat de cliënte functioneert op een zeer laag verstandelijk niveau, geen ziektebesef heeft en ernstige oordeel- en kritiekstoornissen vertoont. Zij is volledig afhankelijk voor persoonlijke verzorging en toont verzet tegen opname.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, zoals risico op ernstig lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang, veroorzaakt door het gedrag van cliënte. Voorts is voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en proportioneel, omdat minder ingrijpende alternatieven ontbreken. De machtiging werd verleend voor zes weken, tot en met 4 maart 2021.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/611664 / FA RK 21-416
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 21 januari 2021 betreffende een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënte],
geboren op [geboortedatum cliënte],
hierna: cliënte,
wonende aan de [adres cliënte],
thans verblijvende in Leliestad Zorggroep, verpleeghuis Siloam te Rotterdam,
advocaat mr. R.F. Nelisse te Schiedam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen op 18 januari 2021.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de beschikking van de burgemeester van 15 januari 2021;
  • de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam 1], psychiater, van 15 januari 2021;
  • het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van Pro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:
  • cliënte;
  • haar hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2], specialist ouderengeneeskunde, verbonden aan verpleeghuis Siloam, aanwezig bij cliënte.
1.3.
Het verzoek is tegelijk behandeld met het verzoek van het CIZ tot het verlenen van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf, bekend onder zaak- en rekestnummer: C/10/611693 / FA RK 21-430.

2..Beoordeling

2.1.
Op 15 januari 2021 heeft de burgemeester van de gemeente Rotterdam ten behoeve van cliënt een last tot inbewaringstelling genomen. Op 18 januari 2021 heeft het CIZ verzocht met betrekking tot cliënt een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er
sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat dit ernstig nadeel wordt veroorzaakt door het gedrag van cliënt als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening, te weten een verstandelijke beperking.
2.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van cliënt sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel en ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang. Cliënte functioneert op verstandelijk gezien een zeer laag niveau, heeft geen ziektebesef en vertoont forse oordeel- en kritiekstoornissen. Cliënte is volledig afhankelijk voor wat betreft haar persoonlijke verzorging. Zij spreekt dit tegen en is ervan overtuigd dat zij de meeste dingen thuis ook nog zelf kan doen. Zij meent daarbij geen hulp nodig te hebben. Dat zij al een tijdlang niet meer zelfstandig kan lopen en valgevaarlijk is, waardoor zij bijvoorbeeld niet meer zelfstandig naar het toilet kan gaan en zich daardoor bevuilt, realiseert zij zich niet. De specialist ouderengeneeskunde zou het haar toewensen dat zij nog zelfstandig thuis kan wonen, maar gelet op de intensieve en voortdurende zorgbehoefte is dat niet meer mogelijk.
2.4.
Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is
voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder ingrijpende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Cliënte heeft 24-uurs ondersteuning nodig, hetgeen door thuiszorg niet afdoende kan worden bereikt, temeer omdat cliënte thuiszorg niet afdoende accepteert en het steunsysteem overbelast is.
2.5.
Cliënte geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat zij naar huis wil om er voor haar poes te willen zijn. Zij heeft er erg veel verdriet van dat dat nu niet kan. Haar poes wil bij haar zijn. Ook weet zij dat zij thuishulp nodig heeft en die belt zij als dat het geval is. Dat er verzet is blijkt niet alleen uit de voortdurend geuite vraag van cliënte om naar huis te mogen maar ook uit cliënte fysiek verzet doordat ze wegloopt uit de accommodatie ondanks het feit dat ze nauwelijks kan lopen. Cliënte verzet zich daarom tegen een voortzetting van haar verblijf in de accommodatie.
2.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes weken.

3..Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van [naam cliënte] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 4 maart 2021.
Deze beschikking is op 21 januari 2021 mondeling gegeven door mr. M.L. Sandberg-Crommelin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Smolders, griffier en op 27 januari 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.