Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2. Vordering
€ 384.003,78.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam heeft op 8 oktober 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd verdacht van meervoudige oplichting en valsheid in geschrift. De officier van justitie vorderde de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van een betalingsverplichting aan de staat.
De verdediging voerde aan dat de veroordeelde een deel van het geld had betaald aan derden voor de bouw van een huis en aan een architect, en dat deze bedragen in mindering moesten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank oordeelde echter dat deze stellingen niet aannemelijk waren gemaakt en dat het voordeel volledig werd geschat op €384.003,68, gebaseerd op valselijk opgemaakte facturen en uitbetalingen uit een bouwdepot.
De rechtbank stelde de betalingsverplichting vast op €355.075,84, lager dan het geschatte voordeel omdat een bedrag van €28.927,84 reeds ten laste van de veroordeelde was geïncasseerd. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 1080 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €384.003,68 en legt een betalingsverplichting op van €355.075,84.