ECLI:NL:RBROT:2021:10385

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2021
Publicatiedatum
27 oktober 2021
Zaaknummer
ROT 21/800
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a WhtArt. 2 AwirArt. 2a BhtArt. 2c BhtArt. 7 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenpersoonshuishouding huurtoeslag wegens ontbreken CIZ-indicatie

Eiseres verzocht om haar huishouden als eenpersoonshuishouding aan te merken voor de huurtoeslag over 2019, omdat zij volledig afhankelijk is van de zorg van haar zoon. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiseres geen indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) had overgelegd, wat volgens de wet vereist is om een medebewoner buiten beschouwing te laten.

De rechtbank overwoog dat de zoon van eiseres gedurende 2019 ingeschreven stond op hetzelfde adres en daarmee als medebewoner wordt aangemerkt. Ondanks de hulpbehoevendheid van eiseres, weigerde zij een CIZ-aanvraag in te dienen. De rechtbank vond dat verweerder terecht de huurtoeslag op nihil had vastgesteld en de terugvordering handhaafde.

Hoewel het bestreden besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel vanwege het ontbreken van een belangenafweging over de terugvordering, werd dit gebrek hersteld in het verweerschrift. De rechtbank passeerde dit motiveringsgebrek en volgde verweerder in het standpunt dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van de terugvordering af te zien.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en de proceskosten van € 1.496,-. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de huurtoeslag wordt op nihil vastgesteld wegens ontbreken van een CIZ-indicatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/800

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. van Gemeren),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Procesverloop

In het besluit van 7 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiseres bericht dat haar zorgtoeslag over 2019 nog niet definitief vastgesteld kan worden. Haar huurtoeslag over 2019 is definitief vastgesteld op nihil en de teveel ontvangen voorschotten huurtoeslag over 2019 van € 2.016,- worden van haar teruggevorderd.
In het besluit van 14 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. J. Tegelaers-Kerouache.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het verzoek van eiseres om als een eenpersoonshuishouding te worden aangemerkt afgewezen. Ten aanzien hiervan heeft verweerder overwogen dat dit mogelijk is indien een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bevestigd dat er sprake is van een verzorgingssituatie. Deze wordt aangenomen door een besluit van het Centrum waarin een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) is opgenomen. Een verklaring van een huisarts of een andere verklaring is hiervoor niet geldig.
2. Eiseres voert aan dat er sprake is van een verzorgingssituatie. Zij komt met een klein stukje AOW en pensioentje uit Turkije van ongeveer € 200,- financieel niet rond. Het terugvorderingsbedrag is groot. Eiseres stelt dat ze alles naar verweerder heeft gestuurd en diverse keren heeft gebeld met verweerder, maar verrast werd doordat opeens het bestreden besluit is genomen. Ter zitting van 21 juli 2021 heeft eiseres toegelicht dat zij voor de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) volledig afhankelijk is van haar zoon. Hij regelt ook de boodschappen, papierwerk, financiën en vertaalt voor haar. Daarnaast betaalt hij ook de € 450,- aan de belastingen. Het is cultureel bepaald dat indien een ouder verzorging nodig heeft, de kinderen hier zorg voor dragen. Haar enige zoon is hierdoor niet in staat een eigen huidhouden te hebben.
3. Wettelijk kader
In artikel la, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) is bepaald dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing is op de huurtoeslag.
In artikel 7 van Pro de Wht is bepaald dat het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners. De medebewoner is volgens artikel 2, eerste lid, onder e, van de Awir de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven op het toeslagadres in de Basisregistratie personen (hierna:Brp), tenzij deze persoon partner van de belanghebbende is, onderhuurder van de belanghebbende is, of tot het huishouden van de onderhuurder behoort.
Op grond van artikel 2a, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: Bht) kan op verzoek een partner of medebewoner voor de huurtoeslag buiten beschouwing worden gelaten indien sprake is van een verzorgingsbehoefte bij de huurder, diens partner of medebewoner.
Artikel 2a, tweede lid, van het Bht stelt dat een partner of medebewoner uitsluitend buiten beschouwing gelaten kan worden indien deze persoon met het oog op de verzorgingsbehoefte van de huurder of van hemzelf op hetzelfde woonadres als de huurder staat ingeschreven in de Brp en de verzorgingsbehoefte blijkt uit een indicatiebesluit van het CIZ.
Op grond van artikel 2c, eerste lid, van het Bht kan een dergelijk verzoek als bedoeld in artikel 2a van de Bht worden gedaan tot het tijdstip dat de toekenning van de huurtoeslag over het betreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.
4 Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij in haar belangen is geschaad doordat opeens het bestreden besluit is genomen, volgt de rechtbank eiseres niet. Bij brieven van 22 oktober 2020 en 24 november 2020 heeft verweerder eiseres verzocht om aanvullende informatie te verstrekken. Hierbij is eveneens verzocht om aan te geven of en hoe zij haar beroep wilt toelichten. Niet gebleken is dat eiseres op deze brieven heeft gereageerd.
5. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de zoon van eiseres gedurende geheel 2019 ingeschreven staat op het adres van eiseres en derhalve op grond van artikel 2, eerste lid, onder e, van de Awir aangemerkt wordt als medebewoner van eiseres. Op grond van artikel 2 van Pro de Wht wordt het huishouden van eiseres daardoor aangemerkt als meerpersoonsouderenhuishouden.
6. Ter zitting van 21 juli 2021 heeft eiseres toegelicht dat zij naast de ADL, hulp van haar zoon nodig heeft bij onder meer het papierwerk, haar financiën en voor het vertalen. Tevens is toegelicht dat eiseres, ondanks haar hulpbehoevendheid, weigert een CIZ-aanvraag in te dienen, omdat zij geen hulp van andere personen wenst.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen besluit van CIZ met een indicatie op grond van de Wlz heeft overgelegd en hieruit volgt dat niet voldaan is aan de gestelde voorwaarde zoals neergelegd in artikel 2a, tweede lid, van het Bht. Dat eiseres van mening is dat verweerder op een andere wijze, bijvoorbeeld door een huisbezoek, kan beoordelen of er sprake is van een zorgbehoefte, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft terecht bepaald dat er voor de berekening van de huurtoeslag over 2019 niet kan worden uitgegaan van een eenpersoonshuishouden.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste gronden de huurtoeslag over 2019 van eiseres op nihil heeft vastgesteld en de hieruit voortvloeiende terugvordering, zoals deze in het primaire besluit is vastgesteld, heeft gehandhaafd.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen, doordat geen belangenafweging ten aanzien van de terugvordering heeft plaatsgevonden. Dit is met het verweerschrift hersteld. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden waardoor (gedeeltelijk) van de terugvordering had moeten worden afgezien.
De rechtbank passeert dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Wel ziet de rechtbank in deze schending aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.
8. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2020.
De rechter is verhinderd te tekenen
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.