Partijen hadden een affectieve relatie van twaalf jaar en wonen samen in een woning die eigendom is van de vrouw. Na beëindiging van de relatie in juli 2021 heeft de vrouw de man verzocht de woning te verlaten, maar hij heeft hieraan geen gehoor gegeven. De vrouw vordert in kort geding dat de man de woning verlaat, zich uitschrijft als bewoner, en bepaalde eigendommen aan haar afgeeft.
De man voert verweer en stelt onder meer dat hij recht van bewoning heeft vanwege zijn bijdrage aan het huishouden en dat hij meer tijd nodig heeft om vervangende woonruimte te vinden. Ook betwist hij het spoedeisend belang van de vordering tot afgifte van zaken uit de kluis.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de man geen woonrecht meer heeft en dat de spanningen tussen partijen hoog zijn opgelopen, wat het verblijf van de man in de woning onhoudbaar maakt. De termijn voor het verlaten van de woning wordt vastgesteld op twee maanden. De man wordt veroordeeld tot afgifte van de tenaamstellingscode, reservesleutel en een geldbedrag van €5.500,-, maar niet tot verdeling van het spaargeld. De vrouw wordt gemachtigd de tenuitvoerlegging met politiehulp te effectueren. De proceskosten worden gecompenseerd.