Partijen zijn op 3 februari 2010 gehuwd en gezamenlijk eigenaar van een woning. Na hun echtscheiding, uitgesproken op 25 januari 2021, is in het echtscheidingsconvenant bepaald dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat zij de hypotheekschuld kan dragen.
De vrouw vordert dat de man binnen een week na verzoek van de notaris meewerkt aan de levering van zijn aandeel in de woning. De man voert verweer met onder meer een vermoeden van valsheid in geschrifte en betwijfelt de financieringsmogelijkheid van de vrouw.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw voldoende heeft aangetoond financieel in staat te zijn de woning over te nemen, onder meer door overlegging van een hypotheekofferte en een akte van ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De stelling van valsheid in geschrifte is onvoldoende onderbouwd en irrelevant voor de vordering.
De man wordt veroordeeld om mee te werken aan de levering binnen een week na verzoek van de notaris. Bij nalaten wordt vervangende toestemming verleend aan de vrouw om namens de man de levering te effectueren. De kosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.