AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voortzetting crisismaatregel op grond van Wvggz wegens vrijwillige opname
De officier van justitie verzocht de rechtbank Rotterdam om de voortzetting van een crisismaatregel op grond van artikel 7:7 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die bij opname een psychotisch toestandsbeeld vertoonde vermoedelijk door middelengebruik. Betrokkene was sinds een week in Nederland en had risicovol gedrag vertoond. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 oktober 2021, waarbij betrokkene werd bijgestaan door een Litouwse tolk, verklaarde de behandelend arts dat betrokkene nog een paranoïde psychotisch beeld vertoonde, maar geen verzet bood tegen opname.
Betrokkene gaf aan vrijwillig in de kliniek te willen blijven en plechtig toe te zeggen medicatie te zullen innemen indien nodig. De arts achtte een langere opname medisch noodzakelijk, maar vertrouwde erop dat betrokkene vrijwillig zou blijven. Gezien het ontbreken van verzet en de bereidheid tot vrijwillige opname, concludeerde de rechtbank dat er onvoldoende grond bestond om verplichte zorg voort te zetten.
De rechtbank wees het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel af op 18 oktober 2021. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open. De beslissing werd schriftelijk vastgelegd op 22 oktober 2021.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen omdat betrokkene vrijwillig in de kliniek verblijft en geen verzet toont.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/627080 / FA RK 21-7756
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 18 oktober 2021 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene], Letland,
hierna: betrokkene,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
thans verblijvende te [verblijfplaats betrokkene],
advocaat mr. L.M. Deiman te Rotterdam.
1..Procesverloop
1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 15 oktober 2021, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 14 oktober 2021 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 14 oktober 2021;
de medische verklaring opgesteld door [naam 1], psychiater, van 14 oktober 2021;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
de relevante politiegegevens van betrokkene.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2021. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[naam 2], arts, verbonden aan Antes.
Aangezien betrokkene de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Litouws, heeft de rechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3], tolk in de Litouwse taal.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2..Beoordeling
Bij aanvang van de opname was er bij betrokkene sprake van psychotisch toestandsbeeld, vermoedelijk middelen geïnduceerd. Betrokkene is sinds een week in Nederland en heeft bizar, risicovol gedrag vertoond op de snelweg. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de arts dat communicatie met betrokkene (in het Engels) mogelijk is. Er is nog sprake van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld. Een langere opname acht de arts nog wel nodig, maar er is geen sprake van verzet. De arts heeft er voldoende vertrouwen in dat betrokkene op vrijwillige basis in de kliniek zal verblijven. Betrokkene verklaart dat hij nog drie weken in de kliniek wil blijven omdat hij buiten nog angstig is en verklaart – plechtig – dat hij de medicatie in zal nemen als de arts dat nodig vindt.
Gelet op het voorgaande bestaat er op dit moment onvoldoende grond om verplichte zorg toe te kunnen wijzen. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
3..Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 18 oktober 2021 mondeling gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, in tegenwoordigheid van S.M. Plaisier-van Welie, griffier, en op 22 oktober 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.