ECLI:NL:RBROT:2021:10583

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 november 2021
Publicatiedatum
2 november 2021
Zaaknummer
C/10/620155 / HA ZA 21-509
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tussenkomst International Oil Pollution Compensation Fund 1992 in civiele procedure over olielekkage

In deze civiele procedure vorderen Esso c.s. dat NCC c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten als gevolg van een olielekkage op 23 juni 2018.

Het International Oil Pollution Compensation Fund 1992 verzoekt om tussenkomst in de hoofdzaak en tevens om een mondelinge behandeling ex artikel 87 Rv Pro. De rechtbank oordeelt dat het fonds gerechtigd is tot tussenkomst, aangezien de aangevoerde gronden niet zijn weersproken en relevant zijn voor de hoofdzaak.

Echter, omdat het fonds nog geen partij is in de hoofdzaak, kan het geen verzoek tot mondelinge behandeling doen op grond van artikel 87 Rv Pro. Dit verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank bepaalt dat de zaak op 15 december 2021 wordt hervat voor het nemen van een conclusie van eis in tussenkomst door het fonds.

De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Verdere beslissingen worden aangehouden. Het vonnis is op 3 november 2021 in het openbaar uitgesproken door mr. M. de Geus.

Uitkomst: Het International Oil Pollution Compensation Fund 1992 wordt toegelaten tot tussenkomst, maar haar verzoek tot mondelinge behandeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/620155 / HA ZA 21-509
Vonnis in incident van 3 november 2021
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ESSO NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Breda,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EXXONMOBIL CHEMICAL HOLLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
EXXONMOBIL PETROLEUM & CHEMICAL B.V.,
gevestigd te Antwerpen (België),
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat mr. P.W. den Hollander te Amsterdam,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
NATIONAL CHEMICAL CARRIERS LTD,
gevestigd te Riyadh (Saoedi-Arabië),
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
ODFJELL ASIA II PTE LTD,
gevestigd te Singapore (republiek Singapore) ,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
ODFJELL MANAGEMENT AS,
gevestigd te Bergen (Noorwegen),
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
ASSURANCEFORENINGEN GARD,
gevestigd te Arendal (Noorwegen),
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GARD P&I (BERMUDA) LTD,
gevestigd te Bermuda,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
NORWEGIAN HULL CLUB,
gevestigd te Bergen (Noorwegen),
gedaagden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat mr. M. Wattel te Rotterdam,
en
de publiekrechtelijke rechtspersoon
INTERNATIONAL OIL POLLUTION COMPENSATION FUND 1992,
zetelend te Londen (Verenigd Koninkrijk),
eiseres in het incident,
advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,
Partijen zullen hierna Esso c.s., NCC c.s. en International Oil Pollution Compensation Fund 1992 genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 maart 2021, met 6 producties,
  • de incidentele conclusie tot tussenkomst, alsmede een verzoek tot een mondelinge behandeling ex artikel 87 Rv Pro,
  • de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst en het verzoek ex artikel 87 Rv Pro aan de zijde van Esso c.s.,
  • de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst en het verzoek ex artikel 87 Rv Pro aan de zijde van NCC c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2..De vorderingen in de hoofdzaak

2.1.
Esso c.s. vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. NCC c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Esso c.s. van € 5.623.2256,03 als schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 juni 2018 tot de dag van algehele voldoening,
II. NCC c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van nog niet begrote – geleden en/of nog te lijden – schade van Esso c.s. als gevolg van de olielekkage door de [naam schip] op 23 juni 2018, op te maken bij staat,
III. NCC c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, alsmede in de nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

3..De beoordeling in het incident en het verzoek ex artikel 87 Rv Pro

3.1.
International Oil Pollution Compensation Fund 1992 vordert dat haar wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen, alsook dat de rechtbank een mondelinge behandeling ingevolge artikel 87 Rv Pro beveelt.
Incident tot tussenkomst
3.2.
Esso c.s. en NCC c.s. refereren zich voor wat betreft de incidentele vordering tot tussenkomst aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering tot tussenkomst moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen. De hoofdzaak zal daarom eerst worden verwezen naar de rol van 15 december 2021 voor het nemen van een conclusie van eis in tussenkomst door International Oil Pollution Compensation Fund 1992.
Verzoek ex artikel 87 Rv Pro
3.4.
Verder verzoekt International Oil Pollution Compensation Fund 1992 de rechtbank om op grond van artikel 87 Rv Pro een mondelinge behandeling te bevelen zodat partijen overleg kunnen voeren over hoe het vervolg van de procedure zal verlopen en International Oil Pollution Compensation Fund 1992 aan de rechtbank op grond van artikel 87 lid 2 onder Pro e Rv verwijzing van de onderhavige procedure naar de parkeerrol kan vragen tot er een beslissing van de Hoge Raad is in het geding met zaaknummer 20/03882.
3.5.
De rechtbank oordeelt ter zake als volgt.
3.6.
Ingevolge artikel 87 lid 1 Rv Pro kan de rechter
op verzoek van partijen of van een van hendan wel ambtshalve in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling bevelen. De rechtbank constateert dat International Oil Pollution Compensation Fund 1992 in deze stand van de procedure (nog) geen partij is bij de hoofdzaak, waardoor zij op grond van artikel 87 Rv Pro thans geen verzoek tot het bevelen van een mondelinge behandeling in de hoofdzaak kan doen. International Oil Pollution Compensation Fund 1992 is daarom niet-ontvankelijk in het desbetreffende verzoek.
3.7.
Er is geen reden om één van partijen in de kosten van de andere te veroordelen. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4..De beslissing

De rechtbank
in het incident tot tussenkomst
4.1.
staat International Oil Pollution Compensation Fund 1992 toe in de hoofdzaak tussen te komen,
4.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het verzoek ex. artikel 87 Rv Pro
4.3.
verklaart International Oil Pollution Compensation Fund 1992 niet-ontvankelijk in het verzoek,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
15 december 2021voor het nemen van de conclusie van eis in tussenkomst door International Oil Pollution Compensation Fund 1992,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is ondertekend door de rolrechter en op 3 november 2021 uitgesproken in het openbaar.
3360/638