ECLI:NL:RBROT:2021:10667

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 november 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
ROT 20/4871
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIAArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheid en passend werk bij WIA-uitkering

Eiser, werkzaam als technisch beheerder, is sinds 28 september 2015 arbeidsongeschikt en ontvangt een WGA-uitkering. Verweerder heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 56,62% op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en passende functies die eiser kan verrichten. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze vaststelling, stellende dat hij meer beperkt is, mede door psychische klachten, en dat hij de passende functies niet kan uitvoeren.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven te reageren op aanvullende beroepsgronden. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben bevestigd dat de beperkingen van eiser correct zijn vastgesteld en dat de passende functies aansluiten bij zijn belastbaarheid. Medische stukken die eiser heeft ingediend, bieden volgens de rechtbank geen nieuwe inzichten die tot een andere beoordeling leiden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is omdat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser 56,62% arbeidsongeschikt is en de passende functies kan verrichten. Het verzoek tot herbeoordeling dat eiser heeft ingediend, ziet op een andere procedure en wordt in deze uitspraak niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van 56,62% blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/4871

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. O. Labordus,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: mr. S. Roodenburg.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser wordt aangepast naar 56,62.
Bij besluit van 6 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft aanvullende gronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder de mogelijkheid gegeven om te reageren op eisers aanvullende beroepsgronden.
Bij aanvullend verweerschrift van 20 augustus 2021 heeft verweerder gereageerd op de aanvullende beroepsgronden.
Hierop heeft eiseres gereageerd bij schrijven van 7 oktober 2021.
Nadat partijen niet hebben aangegeven om op een nadere zitting te willen worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1.1.
Eiser is werkzaam geweest als technisch beheerder voor gemiddeld 40 uur per week en is voor dit werk uitgevallen op 28 september 2015. Aan eiser is een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) en aansluitend daarop een loonaanvullingsuitkering toegekend. Vanwege een verzoek tot herbeoordeling heeft een onderzoek door de verzekeringsarts plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser werkzaamheden kan verrichten die voldoen aan de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 16 oktober 2019, geldig per 26 juni 2019. Daarin zijn beperkingen aangegeven in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren en 4. Dynamische handelingen.
1.2.
De arbeidsdeskundige heeft met de FML een aantal passende functies geduid. Op basis van deze passende functies heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiser 56,62% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.
2.1.
Tijdens de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest en dat eisers beperkingen correct zijn opgenomen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat eisers psychische klachten bekend zijn, dat hiervoor geen behandelingen worden gevolgd en dat er een psychiatrische expertise heeft plaatsgevonden. Voor eisers psychische beperkingen zijn beperkingen opgenomen in de FML.
2.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens toegelicht dat de eerder geduide functies nog steeds passend zijn en eisers belastbaarheid niet overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hiermee geconcludeerd dat eiser nog steeds 56,62% arbeidsongeschikt is.
3. Eiser voert aan dat hij meer beperkt is dan verweerder heeft vastgesteld. Hij is uitgevallen met lichamelijke klachten waarna psychische klachten zijn ontstaan. Eiser is hiervoor behandeld zonder dat dit heeft geleid tot een wijziging in zijn medische situatie. De expertise, die heeft plaatsgevonden voor de primaire beoordeling, heeft kort geduurd. Eiser is momenteel onder behandeling bij Antes GGZ en ondergaat een onderzoek in het kader van een aanvraag voor de Wet Langdurige Zorg (Wlz). Op een verzoek tot herbeoordeling is nog niet gereageerd door verweerder. Er zou een urenbeperking moeten worden aangenomen alsmede beperkingen voor Persoonlijk en Sociaal functioneren. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser een brief van de huisarts van 29 maart 2021 en van de psychiater van 29 juni 2021 ingediend.
Eiser betoogt verder dat hij de geduide functies niet kan verrichten.
4. Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
5.1.
De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser op 25 oktober 2019 56,62% arbeidsongeschikt is en of hij op die datum de passende functies kan verrichten.
5.2.
De grond dat eiser meer beperkt is dan verweerder heeft vastgesteld slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 6 juli 2020 gemotiveerd toegelicht dat eisers psychische en lichamelijke klachten bekend zijn bij verweerder en dat met deze klachten rekening is gehouden bij het opstellen van de FML. Uit de psychiatrische expertise is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebleken dat geen definitieve diagnose kon worden gesteld en dat eiser hierna twee maal is doorverwezen naar de crisisopname. Hier konden echter geen psychiatrische beperkingen worden gevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de symptomen die eiser vertoont niet passen bij psychiatrische aandoeningen. De rechtbank merkt hierbij op dat het bij het vaststellen van eisers mogelijkheden en beperkingen niet gaat om de beleving van eisers klachten, maar om wat objectief (op medische wijze aan de hand van het medisch dossier) is vast te stellen. De op 13 juli 2021 ingebrachte medische stukken kunnen evenmin leiden tot het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van zijn medische situatie op 25 oktober 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de aanvullende rapportage van 19 augustus 2021 inzichtelijk gemotiveerd dat deze stukken geen nieuwe informatie geven over de psychische situatie van eiser op 25 oktober 2019, dat eiser toen niet in behandeling was en dat met eisers medische situatie voldoende rekening is gehouden bij het opstellen van de FML. Dat eiser een onderzoek ondergaat in het kader van een aanvraag voor de Wlz kan niet leiden tot een ander oordeel, omdat bij de Wlz andere voorwaarden gelden dan bij de WIA.
5.3.
Eiser geeft in zijn beroepschrift aan dat op een verzoek tot herbeoordeling niet is ingegaan door verweerder. De rechtbank overweegt dat verweerder inmiddels onderzoek heeft verricht en dat daaruit een beslissing is voortgekomen op 9 augustus 2021. Omdat dit beroep niet ziet op dit verzoek tot herbeoordeling en de daaruit voortgekomen beslissing kan de rechtbank hier verder niet inhoudelijk op ingaan. De rechtbank moet zich beperken tot het bestreden besluit, zijnde het besluit van 6 augustus 2020.
5.4.
De grond dat eiser de passende functies niet kan verrichten slaagt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 31 juli 2020 gemotiveerd uiteengezet dat bij het selecteren van de functies rekening is gehouden met eisers mogelijkheden en beperkingen die zijn opgenomen in de FML.
5.5.
Het loon dat eiser kan verdienen met de passende functies is 56,62% lager dan het loon dat hij zou verdienen als hij niet arbeidsongeschikt was geworden. Verweerder heeft daarmee dus terecht vastgesteld dat eiser meer dan 35%, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is.
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 november 2021.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.