AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek rechterlijke machtiging opname en verblijf op grond van Wet zorg en dwang
Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van cliënte met vasculaire dementie op grond van artikel 26 vanPro de Wet zorg en dwang (Wzd).
De rechtbank beoordeelde of het gedrag van cliënte als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening leidde tot ernstig nadeel, of opname noodzakelijk en geschikt was, en of er geen minder ingrijpende mogelijkheden waren. Uit de stukken en mondelinge behandeling bleek dat cliënte lijdt aan vasculaire dementie en dat er zorgen waren over val- en brandgevaar en een mogelijke ontspoorde mantelzorgrelatie.
De rechtbank concludeerde dat het val- en brandgevaar niet het gevolg was van de aandoening en dat er brand- en rookvertragende maatregelen waren getroffen. De mantelzorgrelatie was niet zodanig ontspoord dat geen oplossing mogelijk was. Verder waren de stellingen over verdwaald zijn niet onderbouwd en de onrust bij cliënte was incidenteel en niet ernstig genoeg.
Gezien het onvoldoende onderbouwde ernstig nadeel wees de rechtbank het verzoek af. De rechtbank benadrukte het belang van goed contact tussen cliënte, mantelzorger en hulpverleners en een tijdige oriëntatie op opname in een verpleeghuis bij verslechtering van de situatie.
Uitkomst: Verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwd ernstig nadeel.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/626187 / FA RK 21-7342
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 19 oktober 2021 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 26 vanPro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënte],
geboren op [geboortedatum cliënte], [geboorteplaats cliënt],
hierna: cliënte,
wonende te [woonplaats cliënte],
advocaat mr. A. Rhijnsburger te Rotterdam.
1..Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 29 september 2021.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 16 februari 2021;
de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam 1], specialist ouderengeneeskunde, van 3 september 2021;
de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 10 september 2021;
een afschrift van de beschikking van 7 mei 2021, waarbij mentorschap is ingesteld.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2021. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
cliënte met haar hiervoor genoemde advocaat;
[naam 2] en [naam 3], casemanagers, verbonden aan Aafje;
[naam 4], mantelzorger;
[naam 5], vervangend mentor, verbonden aan Stichting Veritas.
2..Beoordeling
2.1.
De rechter kan op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen, zoals bedoeld in artikel 24 lid 1 WzdPro. De machtiging kan slechts worden verleend als naar oordeel van de rechter het gedrag van de cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap leidt tot ernstig nadeel, de cliënt geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot opname en verblijf, de opname en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.2.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, blijkt dat cliënte lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, namelijk vasculaire dementie.
2.3.
In de stukken wordt beschreven dat deze psychogeriatrische aandoening zou leiden tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en bedreiging van de veiligheid van cliënte al dan niet doordat zij onder invloed van een ander raakt. Cliënte heeft de wens om thuis te blijven wonen en zij beschikt in de thuissituatie over een steunsysteem in de vorm van een buurman die als mantelzorger optreedt.
Aangevoerd is dat in de thuissituatie sprake zou zijn van val- en brandgevaar, maar de rechtbank concludeert dat dit geen gevolg is van de psychogeriatrische aandoening. Bovendien zijn in huis inmiddels brand- en rookvertragende maatregelen genomen.
Verder zou sprake zijn van een ontspoorde mantelzorgrelatie tussen cliënte en haar mantelzorger. De mantelzorger zou de reguliere zorg op afstand houden waardoor betrokkene te afhankelijk wordt van hem. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de wrijving die er is (geweest) tussen de mantelzorger en diverse hulpverleners. Dit was volgens de mantelzorger het gevolg van zijn frustratie door fouten die worden gemaakt bij de hulpverlening, met name de bewindvoerder. Hij heeft dit ten onrechte afgereageerd op een betrokken hulpverlener. De mantelzorger staat er voor open hierover het gesprek aan te gaan met de hulpverleners. Hij en ook cliënte staan open voor hulpverlening zoals thuiszorg. Gezien bovenstaande kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van een ontspoorde mantelzorg-relatie waarvoor geen oplossing mogelijk is.
Tijdens de mondelinge behandeling is ook gesproken over de stelling van de casemanager dat de cliënte meerdere malen is verdwaald. Cliënte en de mantelzorger betwisten dat zij weleens is verdwaald en deze stelling is verder niet nader onderbouwd.
Tot slot geeft de casemanager aan dat regelmatig sprake is van onrust bij cliënte. De mantelzorger erkent dat er eenmalig sprake is geweest van onrust en suïcidale uitspraken. Toen heeft de mantelzorger de huisarts ingeschakeld, maar het was niet nodig om de crisisdienst te benaderen omdat de onrust alweer was gezakt. Ook dit lijkt vooralsnog onvoldoende ernstig nadeel om een opname op korte termijn te rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat het ernstig nadeel op dit moment onvoldoende onderbouwd is en wijst het verzoek af.
Gelet op het progressieve ziektebeeld, merkt de rechtbank op dat het belangrijk is dat cliënte en haar mantelzorger in goed contact blijven met de hulpverleners en zich met het oog op de nabije toekomst blijven oriënteren op een verpleeghuis waar cliënte kan worden opgenomen als haar situatie verslechtert.
2.4.
Nu de rechtbank van oordeel is dat de psychogeriatrische aandoening niet leidt tot ernstig nadeel, is het verlenen van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd niet gerechtvaardigd.
2.5.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf afwijzen, omdat niet is voldaan aan de wettelijke criteria.
3..Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 19 oktober 2021 mondeling gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. McFedries, griffier, en op 1 november 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.