ECLI:NL:RBROT:2021:10707

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2021
Publicatiedatum
5 november 2021
Zaaknummer
C/10/626988 / FA RK 21-7720
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging op grond van Wvggz wegens alternatief vrijwillige zorg

De rechtbank Rotterdam behandelde op 25 oktober 2021 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan een psychotische stoornis in het schizofreniespectrum. Betrokkene was eind september 2021 opgenomen na een agressie-incident waarbij hij verbaal en fysiek agressief was, zowel thuis als in de accommodatie. Door overbelasting van zijn ouders kon betrokkene niet langer thuis wonen, wat dreigde te leiden tot maatschappelijke teloorgang.

De rechtbank stelde vast dat het uitgangspunt van de Wvggz is dat verplichte zorg het ultimum remedium is. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat passende zorg op vrijwillige basis mogelijk is. Betrokkene erkende zijn ziekte-inzicht en was bereid tot samenwerking met hulpverleners, inclusief het opstellen van een zelfbindingsverklaring. De verpleegkundige bevestigde de positieve ontwikkelingen en het vertrouwen in betrokkene.

Gezien deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg zoals bedoeld in de Wvggz. Het verzoek tot zorgmachtiging werd daarom afgewezen. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen omdat er een alternatief is in de vorm van vrijwillige zorg.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/626988 / FA RK 21-7720
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 25 oktober 2021 betreffende een zorgmachtiging in aansluiting op een voortzetting crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene], [geboorteplaats betrokkene],
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats betrokkene],
thans verblijvende in Yulius, locatie De Gantel te Sliedrecht,
advocaat mr. G.E. Menick te Amsterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 14 oktober 2021.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring opgesteld door [naam 1], psychiater, van 8 oktober 2021;
  • de zorgkaart van 8 oktober 2021;
  • het zorgplan van 6 oktober 2021;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
  • de relevante politiegegevens van betrokkene;
  • het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2021. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2], verpleegkundige, verbonden aan Yulius.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

2.1.
Bij betrokkene is sprake van een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis in het schizofreniespectrum. Ook is sprake van ernstig nadeel. Betrokkene is eind september 2021 opgenomen vanwege een agressie-incident. Hij is zowel thuis als in de accommodatie verbaal en fysiek agressief geweest. Betrokkene woont bij zijn ouders en bij hem was sprake van veel achterdocht richting hen. Zijn ouders zijn overbelast geraakt en betrokkene kan daarom niet meer thuis wonen. Daardoor dreigt maatschappelijke teloorgang.
2.2.
Het uitgangspunt van de Wvggz is dat verplichte zorg het ultimum remedium is. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat passende zorg op vrijwillige basis mogelijk is en dat er dus een alternatief is om het ernstig nadeel af te wenden of te voorkomen. Betrokkene erkent dat het eerder niet goed met hem ging, maar hij voelt zich beter. Hij toont veel ziekte-inzicht en ziet in dat hij zorg nodig heeft. Hij is dan bereid om de samenwerking met de hulpverleners aan te gaan en een zelfbindingsverklaring op te stellen. Hij zou graag zijn medicatie willen afbouwen, maar onder supervisie van de psychiater. De verpleegkundige heeft de positieve ontwikkelingen van betrokkene bevestigd. Ook hij heeft voldoende vertrouwen in de bereidheid van betrokkene om een zelfbindingsverklaring op te stellen.
2.3.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 25 oktober 2021 mondeling gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Verduijn, griffier, en op 1 november 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.