ECLI:NL:RBROT:2021:10777

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2021
Publicatiedatum
9 november 2021
Zaaknummer
10-172389-21, 10-300398-21 (ttz gev.)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 266 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit automatisch vuurwapen en belediging ambtenaar in functie

De rechtbank Rotterdam heeft op 28 oktober 2021 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd verdacht van het bezit van een automatisch vuurwapen en het beledigen van een politieambtenaar tijdens diens rechtmatige uitoefening van zijn functie.

De verdachte had op 30 juni 2021 in Rotterdam een automatisch vuurwapen van het type CZ VZ 61 (Skorpion), kaliber 7.65mm, in bezit. Tevens werd bewezen verklaard dat hij op 26 november 2020 een hoofdagent van politie beledigde met woorden van grove aard. De verdachte bekende de feiten en voerde geen verweer dat tot vrijspraak leidde.

De rechtbank nam de ernst van het feit mee, waaronder het feit dat het bezit van vuurwapens gevoelens van onveiligheid veroorzaakt en vaak leidt tot gevaarlijk gebruik. De verdachte had het wapen vermoedelijk voor een familielid in bewaring. De reclassering adviseerde een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder meldplicht en een cognitieve vaardigheidstraining.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De straf houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn medewerking en spijtbetuiging. De verdachte werd tevens veroordeeld tot deelname aan reclasseringsprogramma's en gedragsinterventies om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor het bezit van een automatisch vuurwapen en het beledigen van een politieambtenaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummers: 10-172389-21, 10-300398-21 (ttz gev.)
Datum uitspraak: 28 oktober 2021
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,
raadsman mr. S. Meeuwsen, advocaat te Gorinchem.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2021.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en is van een doorlopende nummering voorzien.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Verschuren heeft gevorderd:
  • vernietiging van de strafbeschikking in de zaak met parketnummer 10-300398-21, welke strafbeschikking aanvankelijk was opgelegd in de vorm van een taakstraf, die door de verdachte niet is uitgevoerd;
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapportage van 30 augustus 2021.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. De feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op 30 juni 2021 te Rotterdam een wapen
- als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, geschikt om automatisch te vuren en
- als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, namelijk een vuurwapen dat zodanig is vervaardigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is,
van het merk/type CZ VZ 61 (Skorpion), kaliber 7.65mm voorhanden heeft gehad;

2..(10-300398-20)

hij op 26 november 2020 te Rotterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten
[naam agent], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: " jij bent echt een klootzak", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5..Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
1.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;
2.
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6..Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7..Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Bij onderzoek in de telefoon van een voor de handel in verdovende middelen aangehouden persoon, trof de politie een filmpje aan van de verdachte die met een automatisch vuurwapen enkele schoten afvuurde vanuit een woning door een geopende balkondeur. Toen de politie daarna de woning van de verdachte betrad, heeft de verdachte het vuurwapen in een grote doos van het balkon gegooid. De verdachte is vervolgens aangehouden en heeft direct zijn medewerking verleend aan het onderzoek door de politie. Hij heeft een bekennende verklaring afgelegd, maar hij heeft niet willen verklaren over de eigenaar van het wapen dat hij in bewaring had.
Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt onder burgers gevoelens van onveiligheid teweeg en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is algemeen bekend dat vuurwapenbezit niet zelden leidt tot het (ondeskundig) gebruik ervan, met alle ernstige gevolgen voor anderen van dien. Gelet op de sterke stijging van vuurwapengebruik moet daartegen streng worden opgetreden.
Voorts heeft de verdachte een hoofdagent van politie in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening beledigd. Dit getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. De verdachte heeft het gezag van de politie ondermijnd en de ambtenaar in zijn eer en goede naam aangetast.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
8 september 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Stichting Verslavingsreclassering GGZ heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 augustus 2021. Hieruit blijkt onder meer dat de reclassering de familie van de verdachte zowel als beschermende factor als risicofactor ziet. Zijn familie steunt de verdachte financieel en biedt hem onderdak, maar tegelijkertijd had de verdachte het wapen waarschijnlijk voor één van zijn broers in bewaring. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en het volgen van een cognitieve vaardigheden training omdat dat de verdachte zou kunnen helpen om in het vervolg betere keuzes te maken en zijn beïnvloedbaarheid te beperken.
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, waarbij de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht uitgangspunt zijn geweest. Een straf opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – zoals door de verdediging is verzocht – doet geen recht aan de ernst van de feiten. Bij dat oordeel gaat het voornamelijk om feit 1 dat betrekking heeft op het vuurwapen. Toch ziet de rechtbank gelet op de meewerkende houding van de verdachte, zijn spijtbetuiging, en het advies van de reclassering ruimte voor een voorwaardelijke strafdeel met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

8..Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9..Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.. Beslissing

De rechtbank:
vernietigt de strafbeschikking in de zaak met parketnummer 10-300398-21 (feit 2);
verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
3 (drie) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de veroordeelde zal zich melden bij Stichting Verslavingsreclassering GGZ, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;
2. de veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden training (CoVa) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, zulks ter beoordeling van de reclasseringsinstelling, de veroordeelde houdt zich aan de afspraken en de aanwijzingen van de trainer/begeleider;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Putters, voorzitter,
en mrs. K. Bakker en G.A.J.M. van Vugt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 30 juni 2021 te Rotterdam een wapen
- als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, geschikt om automatisch te vuren en
- als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, namelijk een vuurwapen dat zodanig is vervaardigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is,
van het merk/type CZ VZ 61 (Skorpion), kaliber 7.65mm voorhanden heeft gehad;

2..(10-300398-20)

hij op of omstreeks 26 november 2020 te Rotterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten
[naam agent], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Ik hoop dat jouw kind ook dood gaat en je
vrouw ook man" en/of "Ik hoop dat jouw kind ook dood gaat klootzak, jij bent echt een klootzak", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.