De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen een ex-managementassistent en zijn voormalige werkgever, een onderneming waarin de bestuurder tevens enig aandeelhouder is. De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon, onkostenvergoeding, vakantiegeld en een transitievergoeding na zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst.
De werkgever had het UWV verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens bedrijfseconomische redenen, maar dit verzoek werd geweigerd. Vervolgens ontstond een conflict over het eigendom en gebruik van een bedrijfsauto, verzekeringskosten en verrekening van vorderingen. De werknemer stelde dat de werkgever ten onrechte loon en vergoedingen had ingehouden.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever geen recht had op verrekening omdat zij niet aannemelijk had gemaakt eigenaar te zijn van de auto. De werkgever moest het achterstallige loon, onkostenvergoeding en vakantiegeld inclusief wettelijke verhogingen en rente betalen. De transitievergoeding werd afgewezen omdat geen overwegend causaal verband bestond tussen het vermeende ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het ontslag van de werknemer.
De tegenverzoeken van de werkgever werden afgewezen en beide partijen werden in de proceskosten veroordeeld, waarbij de werkgever grotendeels in het ongelijk werd gesteld.