ECLI:NL:RBROT:2021:10834
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing generieke ontheffing voertuigvergunning Spoorwegwet voor validatie- en overbrengingsritten NS Reizigers
NS Reizigers verzocht om een generieke ontheffing op grond van artikel 26q, zesde lid, van de Spoorwegwet om validatie- en overbrengingsritten met spoorvoertuigen uit te voeren zonder voertuigvergunning. Verweerder weigerde deze ontheffing omdat de ritten structureel plaatsvinden en niet incidenteel, en de ontheffingsbevoegdheid slechts voor uitzonderlijke gevallen geldt.
De rechtbank overweegt dat de ontheffingsbevoegdheid niet zo ruim mag worden geïnterpreteerd dat NS Reizigers structureel zonder vergunning kan rijden. Het vergunningensysteem is bewust gekozen om veiligheid en kenbaarheid van spoorvoertuigen te waarborgen. De praktijk onder de oude Spoorwegwet waarbij minder strikte vergunningverlening plaatsvond, kan niet worden voortgezet.
NS Reizigers stelde dat de ontheffing noodzakelijk is om vertragingen en kosten te voorkomen, maar de rechtbank stelt dat de wettelijke procedures en termijnen voor vergunningverlening redelijk zijn en dat het belang van veiligheid en regelgeving prevaleert.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat vergelijkbare ontheffingen slechts voor unieke, eenmalige situaties zijn bedoeld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de ontheffingsbevoegdheid terughoudend moet worden toegepast.
Uitkomst: Het beroep van NS Reizigers wordt ongegrond verklaard en de weigering van de ontheffing bevestigd.