ECLI:NL:RBROT:2021:10882

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 november 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
ROT 20/4352
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 2.1 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2019Art. 2.2 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2019Art. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken bezwaarprocedure bij urgentieverzoek

Eiseres diende een beroep in tegen het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wegens niet tijdig beslissen op een urgentieverzoek. Verweerder verklaarde zich onbevoegd en wees op de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR) als beslissingsbevoegde instantie. De rechtbank oordeelt dat de brief van verweerder een besluit of een schriftelijke weigering tot besluitvorming vormt, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen niet ontvankelijk is.

De rechtbank stelt dat eerst bezwaar moet worden gemaakt bij verweerder, waarna eventueel beroep kan worden ingesteld. Dit volgt uit de toepasselijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2019. Omdat in de brief van verweerder een bezwaarclausule ontbrak, wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en proceskosten voor de schriftelijke reactie op vragen van de rechtbank.

De rechtbank neemt het beroepschrift in behandeling als bezwaarschrift en verwijst naar een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak. Het verzoek om vaststelling van dwangsommen wordt afgewezen omdat geen sprake is van niet tijdig beslissen. De uitspraak is gedaan door rechter E. Lunenberg en griffier R. Stijnen op 15 november 2021.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/4352
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2021 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam] , te [Plaats] (Duitsland), eiseres,

gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak,
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: N.L. Snoeij.

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres bij brief van 14 juli 2020 (met vermelding van dossiernummer 7733 en de naam van eiseres) bericht dat niet hij bevoegd is te beslissen op urgentieverzoeken binnen Rotterdam, maar de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR).
Eiseres heeft bij brief van 14 augustus 2020 (ontvangen op 17 augustus 2020) beroep ingesteld omdat verweerder volgens haar niet tijdig op haar aanvraag heeft beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van Bijlage I bij de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2019 (de Verordening) kunnen urgentieaanvragen worden ingediend bij het bevoegde college van burgemeester en wethouders (het college) van de betrokken gemeente dat op de aanvraag beslist. Voor een aantal gemeenten, waaronder Rotterdam, geldt op grond van deze artikelen echter dat de urgentieaanvraag moet worden ingediend bij de woningcorporatie en dat vervolgens SUWR op die aanvraag beslist. Artikel 2.1, vierde lid, van Bijlage 1 bij de Verordening voorziet in de mogelijkheid dat, wanneer SUWR bevoegd is, het college de beslissingsbevoegdheid niettemin naar zich toetrekt. Daarbij kan het college, gelet op de tweede zin van dit artikellid, besluiten dat SUWR categorisch niet meer bevoegd is deze besluiten te nemen, maar dat hoeft dus niet.
3. In het dossier ontbreekt een aanvraag van eiseres aan verweerder. Gelet op de brief van verweerder van 14 juli 2020 en verweerders vermelding in het verweerschrift dat de aanvraag van eiseres aan haar gemachtigde is teruggezonden, houdt de rechtbank het ervoor dat eiseres aan verweerder een aanvraag heeft gedaan tot toepassing van artikel 2.1, vierde lid, van Bijlage 1 bij de Verordening door zelf een urgentieverklaring af te geven, net als in 25 andere zaken waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan op 10 september 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:7883). Eiseres heeft de rechtbank desgevraagd bij brief van 26 mei 2021 bericht dat zij nog steeds belang heeft bij haar beroep omdat zij noodgedwongen tijdelijk is verhuisd naar een kleine woning in Duitsland en in Nederland woonachtig wenst te zijn. Voorts heeft eiseres er op gewezen dat ondanks toezeggingen door verweerder geen heroverweging is verricht. De rechtbank zal daarom uitgaan van procesbelang van eiseres.
4. Net als in de zojuist genoemde uitspraak stelt de rechtbank vast dat verweerders brief van 14 juli 2020 ofwel een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb vormt, omdat hij zich daarin uitlaat over zijn bevoegdheid, ofwel een schriftelijke weigering als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb om een besluit te nemen op de aanvraag. Indien is beslist of indien schriftelijk is geweigerd om te beslissen, is het niet mogelijk om vervolgens beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen, want daartoe strekt artikel 6:12, tweede lid, van de Awb niet. Anders dan in het geval van niet tijdig beslissen in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, staat tegen besluiten in de zin van artikel 1:3 en Pro tegen de schriftelijke weigering besluiten te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb geen rechtstreeks beroep open bij de rechtbank op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Dit betekent dat, gelet op de hoofdregel van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, eerst bij verweerder bezwaar dient te worden gemaakt.
5. Gelet hierop is het beroep niet-ontvankelijk. Omdat verweerder in het kader van deze beroepszaak over dezelfde stukken beschikt als de rechtbank, ziet de rechtbank ervan af toepassing te geven aan artikel 6:15, tweede lid, van de Awb, maar zal zij bepalen dat verweerder het beroepschrift in behandeling dient te nemen als bezwaarschrift. Met het oog op de door verweerder te verrichten heroverweging volstaat de rechtbank te verwijzen naar haar uitspraak van 10 september 2020.
6. Nu geen sprake is van niet tijdig beslissen, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van eiseres om de door verweerder verbeurde dwangsommen vast te stellen.
7. Gelet op de omstandigheid dat in de brief van 14 juli 2020 een bezwaarclausule ontbreekt en gelet op de handelwijze van verweerder, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres verschuldigde griffierecht in deze zaak dient te vergoeden.
8. Voor de indiening van het beroepschrift ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat deze zaak identiek is aan het cluster van 25 zaken waarin de rechtbank eerder uitspraak deed. In die zaken is al een proceskostenvergoeding toegekend. Wel ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de specifiek in deze zaak ingediende reactie van 26 mei 2021. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374 (0,5 punt voor het geven van inlichtingen met een waarde per punt van € 748 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat verweerder het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling neemt (voor zover dit nog niet is gebeurd);
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 178 vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 374.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 november 2021.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.