ECLI:NL:RBROT:2021:10928

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juli 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
C/10/620892 / FA RK 21-4853
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De rechtbank Rotterdam behandelde op 9 juli 2021 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan recidiverende psychotische episoden passend bij schizofrenie. Betrokkene en haar advocaat waren aanwezig, evenals een verpleegkundige van Antes. De officier van justitie was niet aanwezig.

De rechtbank stelde vast dat betrokkene een psychische stoornis heeft en dat haar gedrag leidt tot ernstig nadeel, waaronder het risico op ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Betrokkene toonde geen motivatie voor behandeling en dreigde medicatie te staken, wat waarschijnlijk tot psychotische decompensatie zal leiden. Er zijn geen passende vrijwillige zorgmogelijkheden, mede door het ontbreken van ziekte-inzicht.

De rechtbank achtte verplichte zorg noodzakelijk, bestaande uit het toedienen van medicatie en het opleggen van beperkingen in de vrijheid om behandelcontact en afspraken af te dwingen. Andere vormen van zorg, zoals opname of bewegingsbeperkingen, werden niet noodzakelijk geacht. De zorgmachtiging wordt toegekend voor zes maanden, een termijn die passend is om een behandelrelatie op te bouwen met het oog op toekomstige vrijwillige zorg.

De beschikking is op 9 juli 2021 mondeling gegeven en op 19 juli 2021 schriftelijk uitgewerkt. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden met verplichte medicatie en beperkingen in vrijheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/620892 / FA RK 21-4853
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 9 juli 2021 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene], betrokkene,
geboren op [geboortedatum betrokene], [geboorteplaats betrokkene],
wonende en thans verblijvende te [woonplaats betrokkene],
advocaat mr. J. van Veelen-de Hoop te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 25 juni 2021.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring opgesteld door [naam 1], psychiater, van 14 juni 2021;
  • de niet-ingevulde zorgkaart van 10 juni 2021;
  • het niet-ondertekende zorgplan van 10 juni 2021;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
  • de relevante strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene; en
  • het bericht dat er geen relevante politiegegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 juli 2021.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met haar hiervoor genoemde advocaat, en
  • [naam 2], verpleegkundige, verbonden aan Antes.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

2.1.
Namens betrokkene verklaart de advocaat om afwijzing van het verzoek vanwege het ontbreken van een psychische stoornis. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten recidiverende psychotische episoden passend bij schizofrenie. Een door de advocaat gesuggereerde second opinion acht de rechtbank niet nodig omdat in het verleden al meerdere onafhankelijke deskundigen betrokkene hebben beoordeeld en steeds tot dezelfde conclusie komen.
2.2.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van haar psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De situatie is de laatste maanden stabiel. Er is echter geen motivatie voor behandeling. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de verpleegkundige dat betrokkene haar depotmedicatie weliswaar accepteert en haar afspraken nakomt, maar ook dat betrokkene heeft gezegd haar depotmedicatie te staken als dit niet meer verplicht is gesteld door een zorgmachtiging. Het is voorzienbaar dat betrokkene psychotisch decompenseert als zij haar medicatie staakt. Bij psychotische decompensatie dient betrokkene voor een aantal weken opgenomen te worden om opnieuw ingesteld te worden op medicatie. Omdat op dit moment wordt bekeken of de dosis kan worden verlaagd, bestaat er nu ook een reëel risico dat betrokkene psychotisch decompenseert en de dosis weer moet worden verhoogd. In dat geval zal betrokkene opgenomen moeten worden, aldus de verpleegkundige.
2.3.
Om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn.
Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene onvoldoende bereid is om behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren. Betrokkene heeft geen ziektebesef of ziekte-inzicht. Zij wil stoppen met de behandeling en de depotmedicatie. Betrokkene ontkent haar psychotische problematiek waaronder de waan en haar eerdere stalken. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart betrokkene geen schizofrenie te hebben. Volgens de verpleegkundige is er geen sprake van een behandelrelatie. Om die reden is verplichte zorg nodig. Dat betrokkene ook heeft verklaard haar medicatie en een eventuele verhoging te zullen blijven accepteren, leidt niet tot een ander oordeel.
2.5.
De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. De advocaat bepleit om afwijzing van de verzochte vorm van zorg
het opnemen in een accommodatie. De rechtbank volgt dit verweer. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
  • het toedienen van medicatie, ter behandeling van de psychische stoornis; en
  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudend dat betrokkene behandelcontact toelaat en behandelafspraken nakomt.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het toedienen van vocht en voeding, het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, het beperken van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie, worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd.
2.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz.
2.8.
De advocaat verzoekt om de zorgmachtiging, anders dan verzocht, voor de duur van twee maanden te verlenen en de overige duur aan te houden om te zien hoe het gaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zorgmachtiging voor een kortere duur te verlenen. De machtiging had aangevraagd kunnen worden voor twaalf maanden, maar is al beperkt in duur om, zoals de verpleegkundige heeft verklaard, te proberen in die tijd een zodanige behandelrelatie op te bouwen dat de behandeling daarna in een vrijwillig kader kan worden voortgezet. De rechtbank acht de verzochte termijn daarvoor passend. De zorgmachtiging zal daarom worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden met ingang van vandaag.

3..Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [naam betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.5. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 9 januari 2021;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 9 juli 2021 mondeling gegeven door mr. M.W.J. van Elsdingen, rechter, in tegenwoordigheid van G. de Man, griffier, en op 19 juli 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.