De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van handel in harddrugs gedurende vijf dagen in mei 2018, samen met medeverdachten. De officier van justitie eiste een taakstraf wegens bewezenverklaring van drugshandel.
Het bewijs bestond voornamelijk uit getuigenverklaringen, waaronder een getuige die verklaarde vier zakjes cocaïne van verdachte te hebben gekocht, en tapgesprekken waaruit een betrokkenheid van verdachte zou blijken. De politie observeerde een overdracht van drugs tussen voertuigen en controleerde de inzittenden, waarbij de getuigenverklaringen over de posities in de auto niet overeenkwamen met de feitelijke constatering.
De rechtbank stelde dat de herkenning van verdachte als verkoper door één getuige twijfelachtig was en dat andere getuigen verklaarden nooit drugs van verdachte te hebben gekocht. Ook kon niet worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk drugs uit een woning had gehaald. Gezien het ontbreken van ander bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.