Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
- toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam heeft op 11 november 2021 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die op 11 mei 2018 te Vlaardingen in bezit was van 14,4 gram cocaïne en 2,5 gram heroïne. De verdachte heeft het bezit bekend en er is geen verweer gevoerd dat tot vrijspraak leidt.
De rechtbank acht het bewezen dat het bezit opzettelijk was en daarmee strafbaar volgens artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De zaak is gelijktijdig behandeld met een andere strafzaak tegen dezelfde verdachte voor drugshandel in vereniging over de periode van 16 november 2017 tot en met 16 mei 2018.
Omdat de pleegdatum van het bewezen feit in deze zaak binnen de pleegperiode van de eerdere veroordeling valt en voeging technisch niet mogelijk was, is artikel 9a Sr toegepast. Dit houdt in dat de rechtbank volstaat met een schuldigverklaring zonder strafoplegging, gelet op de reeds opgelegde taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf in de andere zaak.
De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen, spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, en legt geen straf of maatregel op. Dit vonnis is gewezen door drie rechters en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte wordt schuldig verklaard voor bezit van harddrugs maar er wordt geen straf opgelegd vanwege toepassing van artikel 9a Sr.