De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het invoeren van circa 514 kilogram heroïne en het plegen van voorbereidingshandelingen hiervoor. De container met de lading gips, waarin de heroïne zou zijn verborgen, werd in november 2017 in de Rotterdamse haven gecontroleerd. Speurhonden reageerden positief en indicatieve testen wezen op heroïne, maar een chemisch deskundigenrapport van het NFI ontbrak.
De officier van justitie stelde dat de verdachte, als directeur van het betrokken bedrijf, bewust was van de aanwezigheid van heroïne, mede gelet op zijn aanwezigheid bij het opensnijden van de zakken en het bestellen van grote hoeveelheden paracetamol en cafeïne. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was, vooral vanwege het ontbreken van een sluitend chemisch rapport en het ontbreken van ondersteunend bewijs.
De rechtbank oordeelde dat het enkele positieve resultaat van speurhonden en indicatieve testen onvoldoende is om wettig en overtuigend bewijs te leveren dat het om heroïne ging. Ook de expertise van de betrokken ambtenaren bood onvoldoende steun. Daarom werd verdachte vrijgesproken van zowel het invoeren als de voorbereidingshandelingen van de heroïne. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.