ECLI:NL:RBROT:2021:1096

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 januari 2021
Publicatiedatum
12 februari 2021
Zaaknummer
10/750405-17
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 4 OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 10 lid 4 OpiumwetArt. 10 lid 5 OpiumwetArt. 10a lid 1 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van voldoende bewijs voor invoer en voorbereidingshandelingen van 514 kg heroïne

De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het invoeren van circa 514 kilogram heroïne en het plegen van voorbereidingshandelingen hiervoor. De container met de lading gips, waarin de heroïne zou zijn verborgen, werd in november 2017 in de Rotterdamse haven gecontroleerd. Speurhonden reageerden positief en indicatieve testen wezen op heroïne, maar een chemisch deskundigenrapport van het NFI ontbrak.

De officier van justitie stelde dat de verdachte, als directeur van het betrokken bedrijf, bewust was van de aanwezigheid van heroïne, mede gelet op zijn aanwezigheid bij het opensnijden van de zakken en het bestellen van grote hoeveelheden paracetamol en cafeïne. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was, vooral vanwege het ontbreken van een sluitend chemisch rapport en het ontbreken van ondersteunend bewijs.

De rechtbank oordeelde dat het enkele positieve resultaat van speurhonden en indicatieve testen onvoldoende is om wettig en overtuigend bewijs te leveren dat het om heroïne ging. Ook de expertise van de betrokken ambtenaren bood onvoldoende steun. Daarom werd verdachte vrijgesproken van zowel het invoeren als de voorbereidingshandelingen van de heroïne. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor invoer en voorbereidingshandelingen van 514 kg heroïne.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/750405-17
Datum uitspraak: 29 januari 2021
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,
raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Rotterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15 maart 2018, 28 mei 2018, 15 augustus 2018 en 15 januari 2021.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.K. Nanhkoesingh heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar met aftrek van voorarrest.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
Door de officier van justitie is aangevoerd dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte is de directeur van [naam bedrijf 1] , welk bedrijf de lading waar de 514 kg heroïne tussen zat heeft besteld en de loods in Rhoon heeft gehuurd. De verdachte was aanwezig bij het opensnijden van de zakken met gips. Het opensnijden is zonder behoud van inhoud of verpakking gebeurd. Er zijn namelijk grote incisies aan de zijkant van de pakken gemaakt. De verdachte heeft honderden kilo’s paracetamol en cafeïne besteld en heeft navraag gedaan wat een HARC-medewerker voor bevoegdheden heeft. Deze feiten en omstandigheden maken dat naar de uiterlijke verschijningsvormen geconcludeerd kan worden dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van heroïne. Tevens blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden dat er ook geen sprake was van een ontwetende derde bij wie door anderen verdovende middelen in de bonafide lading zijn gestopt. De honderden kilo’s paracetamol die de verdachte had besteld, zouden volgens hem bestemd zijn voor Kameroen. Uit de query van de douane blijkt er in de periode 2015 – 2017 geen enkele export van dit middel naar Kameroen heeft plaatsgevonden. De verdachte was in bezit van een PGP-telefoon. Op de rekening van [naam bedrijf 1] is in de periode van 4 januari 2016 tot en met 4 december 2017 voor in totaal € 385.450,00 aan contant geld gestort. Verder is er in verhullend taalgebruik gesproken na de aanhouding door de verdachte: “
je weet wel wie je moet bellen”.
Voor hetgeen onder 2 ten laste gelegde feit (de voorbereidingshandelingen) dient de verdachte vrijgesproken te worden, omdat deze handelingen plaats hebben gevonden na het moment dat de douane de heroïne uit de container heeft gehaald.
4.1.2.
Beoordeling
Op 17 november 2017 komt container [containernummer] met een lading gips vanuit Teheran (Iran) via Mundra (India) en Tanger (Marokko) aan in de Rotterdamse haven. De container is bestemd voor de verdachte. Op 18 november 2017 wordt de container aangeboden voor een controle met narcoticaspeurhonden op het terrein van de RWG Terminal. De speurhonden geven een positieve reactie bij de container. Op een nadere scan worden bij een deel van de lading afwijkingen geconstateerd ten opzichte van de rest van de lading. In 25 afwijkende zakken wordt een bruine substantie aangetroffen. Twee monsters uit de afwijkende zakken worden aan een indicatieve test onderworpen met als (indicatieve) uitkomst dat het om heroïne zou gaan. Op 18 november 2017 worden de afwijkende zakken uit de container gehaald en wordt er een terugplaatsmonster in de container geplaatst. Daarna vervolgt de container zijn oorspronkelijke route. Op 21 november 2017 wordt door een medewerker van het HARC-team het terugplaatsmonster weer verwijderd.
In tegenstelling tot wat gebruikelijk is in zaken als deze ontbreekt een rapport waaruit blijkt dat het NFI (of een soortgelijke onderzoeksinstelling) na onderzoek heeft vastgesteld dat het om heroïne gaat. Niet is gebleken dat de aangetroffen stof aan nader chemisch onderzoek is onderworpen dan wel dat dit onderzoek alsnog zou kunnen plaatsvinden. Een tweetal monsters is slechts indicatief getest. Een indicatieve test is, naar zijn aard, indicatief en niet concludent. Uit de rechtspraak volgt evenwel dat onder omstandigheden ook zonder een chemisch deskundigenrapport kan worden vastgesteld dat sprake is van een stof als heroïne. Er moet dan sprake zijn van andere bewijsmiddelen die het resultaat van de indicatieve test ondersteunen.
De verdediging heeft aangevoerd dat dergelijk steunbewijs in de onderhavige zaak ontbreekt en reeds hierom vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft in reactie hierop aangevoerd dat de ambtenaren van het Team Forensische Opsporing – die de indicatieve test hebben uitgevoerd – specialisten zijn in het herkennen van verdovende middelen en dat twee speurhonden een positieve melding hebben gegeven bij de onderzochte container.
De rechtbank ziet in hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd onvoldoende steun voor de conclusie dat het om heroïne ging. Het enkele aanslaan van een of meer narcoticaspeurhonden draagt niet bij aan de vaststelling om welke soort drugs het dan zou gaan. Verder biedt de aangevoerde expertise van de betrokken polititieambtenaren in zijn algemeenheid onvoldoende steun voor dat oordeel.
Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat er in de tenlastegelegde periode (514 kg) heroïne is ingevoerd of dat er voorbereidshandelingen zijn getroffen voor de doorvoer van die (514 kg) heroïne.
4.1.3.
Conclusie
De verdachte dient voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

5..Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

6..Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en V.M. de Winkel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.L. den Dekker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij in op of omstreeks de periode van 17 november tot en met 21 november 2017
te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld
in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, ongeveer 514 kilogram heroïne,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
art 2 ahf Pro/ond A Opiumwet
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 10 lid 5 Opiumwet Pro
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2017
tot 11 december 2017 te Rotterdam en/of Barendrecht en/of Rhoon, gemeente
Albrandswaard, en/of Arnhem en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen.
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,
verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van
Nederland brengen van een hoeveelheid van 514 kilogram heroïne, in elk geval
een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een
middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of
te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te
plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden
had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven
bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)
-een container met daarin voornoemde hoeveelheid heroïne, verpakt onder een
deklading gips(zakken), besteld en/of aangekocht en/of naar Nederland laten
vervoeren en/of
-met een of meer anderen contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld
en/of afspraken gemaakt over het invoeren en/of afleveren en/of opslaan
en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren en/of bewerken van
voornoemde hoeveelheid heroïne en/of
-de deklading gips(zakken) naar een loods van het bedrijf [naam bedrijf 2] in
Barendrecht gebracht/laten brengen en/of (aldaar) opgeslagen, en/of
-die/dat gips(zakken) overgebracht/laten brengen naar een loods aan de
[adres] in Rhoon en/of
-het transport van die hoeveelheid gips(zakken) naar Rhoon heeft begeleid
en/of (aldus) toezicht op dat transport gehouden, en/of
-in de loods in Rhoon de inhoud van die gipszakken gecontroleerd, en/of
-een grote hoeveelheid paracetamol en/of caffeine en/of kleurstof besteld ten
behoeve het versnijden van voornoemde hoeveelheid heroïne;
art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 10 lid 4 Opiumwet Pro
art 10 lid 5 Opiumwet Pro