Verzoeker heeft een schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de wettelijke termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing over een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Hij stelde dat hij immateriële schade had geleden door stress en onzekerheid over een mogelijke gedwongen opname.
De officier van justitie voerde verweer door te stellen dat geen medische verklaring was opgemaakt, waardoor geen verzoek tot zorgmachtiging kon worden ingediend, en dat de zelfbindingsverklaring van verzoeker de voorbereiding van de zorgmachtiging had beëindigd. Tevens werd aangevoerd dat de schadevergoeding moest worden gematigd omdat verzoeker zijn verzoek eerder had kunnen indienen.
De rechtbank oordeelde dat de voorbereiding van de zorgmachtiging was beëindigd met het opstellen en registreren van de zelfbindingsverklaring op 1 oktober 2020. Hierdoor was de termijn van vier weken niet overschreden. Het verzoek tot schadevergoeding werd daarom afgewezen.
Tegen deze beschikking staat cassatie open.