AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheidsincident in internationale faillissementszaak met verwijzing naar rechtbank Den Haag
In deze internationale faillissementszaak heeft de rechtbank Rotterdam een bevoegdheidsincident behandeld waarbij de gedaagde zich op onbevoegdheid baseerde. De zaak betreft een curator in het faillissement van een vennootschap en twee natuurlijke personen die in het buitenland wonen.
De rechtbank heeft eerst partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het toepasselijke internationale bevoegdheidsregime. Uit de beoordeling volgt dat de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is op grond van artikel 2:241 BWPro en de Insolventieverordening (EU 2015/848). Daarnaast zijn andere vorderingen zodanig verknocht aan de insolventievorderingen dat ook deze door de rechtbank Den Haag moeten worden behandeld.
De rechtbank Rotterdam verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag. De curator wordt veroordeeld in de kosten van het incident, die aan de zijde van de eisers in het incident zijn begroot op € 844,50. De beslissing tot onbevoegdverklaring en verwijzing is niet aan rechtsmiddel onderworpen, maar de proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank Rotterdam verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team handel en haven
Zaak-/rolnummer: 615905 / HA ZA 21-289
Vonnis in incident van 10 november 2021
[naam curator] Q.Q.,in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Optidentaal B.V.,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. M.L. van Dokkum,
- tegen -
1..[persoon A] ,
wonende te [woonplaats A] ,
2. [persoon B] ,
wonende te [woonplaats B] ( [land B] ),
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. D.Th.J. van der Klei.
Partijen zullen hierna de curator, [persoon A] en [persoon B] genoemd worden.
1..Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 4 augustus 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de akte uitlaten na tussenvonnis van [persoon A] en [persoon B] ;
de akte uitlaten na tussenvonnis van de curator.
1.2.
Het vonnis is bepaald op heden.
2..De verdere beoordeling in het incident
2.1.
Bij tussenvonnis van 4 augustus 2021 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het toepasselijke (internationale) bevoegdheidsregime en de gevolgen daarvan voor de bevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank oordeelt als volgt.
2.2.
Ten aanzien van [persoon A] geldt voor de vordering op grond van artikel 2:248 BWPro het volgende. De Nederlandse rechter ontleent rechtsmacht onder meer aan artikel 6 vanPro de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (de Insolventieverordening). De rechtbank in Den Haag is op grond van artikel 2:241 BWPro exclusief bevoegd. Voor de vorderingen op andere rechtsgrondslagen geldt dat deze zodanig met de vordering op grond van artikel 2:241 BWPro verknocht zijn, dat behandeling door de Haagse rechtbank op zijn plaats is.
2.3.
Op de vorderingen op andere grondslagen dan artikel 2:248 BWPro is het Verdrag van Lugano van toepassing. Omdat [persoon A] woonplaats heeft gekozen in Den Haag is de Haagse rechtbank bevoegd ten aanzien van die vorderingen, die bovendien verknocht zijn aan de vorderingen jegens [persoon A] . Op grond van verknochtheid is ook behandeling van de vordering jegens [persoon B] op grond van 2:248 BW door de Haagse rechtbank op zijn plaats.
2.4.
Zoals verzocht zal de rechtbank zich dan ook onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar de rechtbank Den Haag.
2.5.
De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze worden aan de zijde van [persoon A] en [persoon B] begroot op € 844,50 (1,5 punt x € 563,- per punt, zoals bepaald onder Tarief II).
2.6.
Omdat onbevoegdverklaring en verwijzing niet aan een rechtsmiddel onderworpen zijn (artikel 110, derde lid, eerste volzin Rv) is er geen belang die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De proceskostenveroordeling zal wel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu het verzoek daartoe gegrond is op de wet en er geen reden is de verklaring achterwege te laten.
3..De beslissing
De rechtbank,
in het incident
3.1.
wijst de vordering toe;
3.2.
veroordeelt de curator in de kosten van [persoon A] en [persoon B] en begroot deze op € 844,50;
3.3.
verklaart onderdeel 3.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
3.4.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen;
3.5.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Den Haag.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2021.