Partijen sloten op 1 december 2018 een huurovereenkomst voor een kamer met gedeelde voorzieningen te Rotterdam. De huurster verliet het gehuurde zonder opzegging en liet de sleutels achter. De verhuurster ontdekte dit op 5 januari 2020 en stelde een huurachterstand vast.
De verhuurster vorderde betaling van de huurachterstand tot en met februari 2021, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De huurder kwam in verzet tegen het verstekvonnis en betwistte de hoogte en onderbouwing van de vordering.
De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst stilzwijgend voor onbepaalde tijd was voortgezet en dat de huurder gehouden was tot betaling van de huur tot en met februari 2021. De verhuurster had de vordering voldoende onderbouwd met specificaties en betalingsbewijzen. De huurder had onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij een huurachterstand had. De gevorderde incassokosten voldeden aan de wettelijke eisen.
De kantonrechter verwierp het verzet, bekrachtigde het verstekvonnis en veroordeelde de huurder in de kosten van de verzetprocedure.