ECLI:NL:RBROT:2021:11076

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 september 2021
Publicatiedatum
16 november 2021
Zaaknummer
10/680115-13 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 Opiumwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens niet-aanvulling dossier en tijdsverloop

De rechtbank Rotterdam behandelde op 27 september 2021 de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie tegen de veroordeelde, die eerder door het Gerechtshof Den Haag was veroordeeld voor meerdere overtredingen van de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €26.322,-.

Tijdens de procedure bleek dat het ontnemingsdossier sinds de aanhouding op 13 juni 2013 niet was aangevuld, waardoor de berekening niet toereikend was om de vordering toe te wijzen. De officier van justitie requirereerde daarom tot afwijzing van de vordering. De verdediging stelde een niet-ontvankelijkheidsverweer in vanwege het extreme tijdsverloop en de onmogelijkheid tot waarheidsvinding.

De rechtbank verwierp het ontvankelijkheidsverweer omdat de Hoge Raad heeft bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen en wees deze af.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken, bestaande uit voorzitter J.L.M. Boek en rechters J.C. Tijink en E. IJspeerd, en uitgesproken op 27 september 2021.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende onderbouwing en tijdsverloop.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/680115-13 (ontneming)
Datum uitspraak: 27 september 2021
Tegenspraak (gemachtigd raadsvrouw)

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres veroordeelde] ,
[postcode veroordeelde] [woonplaats veroordeelde] .
raadsvrouw mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht.
VOORAFGAANDE VEROORDELING
Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 april 2015 is de veroordeelde veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Van dat arrest is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
VORDERING
De vordering van de officier van justitie, mr. H.A. van Wijk, strekt tot:
  • het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat op € 26.322,-;
  • het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 26.322,-.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 september 2021.
Voorafgaand aan de terechtzitting is namens de officier van justitie op 23 april 2021 een
e-mailbericht gestuurd naar de raadsvrouw van de veroordeelde. Daarin is vermeld dat de ontnemingszaak op de terechtzitting van 13 juni 2013 voor onbepaalde tijd is aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de ontnemingsrapportage te completeren. Het ontnemingsdossier is echter nooit aangevuld en de in het dossier opgenomen berekening kan naar oordeel van de officier van justitie niet leiden tot toewijzing van de destijds aangebrachte ontnemingsvordering.
Gelet hierop en gelet op het tijdsverloop heeft de officier van justitie aangekondigd dat zij ter terechtzitting zal requireren tot afwijzing van de ontnemingsvordering.
STANDPUNT OFFICIER VAN JUSTITIE
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gerequireerd tot afwijzing van de ontnemingsvordering.
STANDPUNT VERDEDIGING
Bepleit is om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het extreme tijdsverloop niet te wijten is aan de verdediging en er daardoor geen waarheidsvinding meer mogelijk is. De raadsvrouw verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2903.
BEOORDELING
Uitgangspunt van de Hoge Raad is dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Het ontvankelijkheidsverweer kan dus niet slagen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
wijst de ontnemingsvordering af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. J.C. Tijink en E. IJspeerd, rechters,
in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 september 2021.