De veroordeelde is bij onherroepelijk arrest veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden, met voorwaardelijke invrijheidstelling vanaf 6 november 2018 onder bijzondere voorwaarden zoals klinische behandeling en verbod op verdovende middelen.
Het openbaar ministerie vorderde op 17 juni 2021 de herroeping van deze voorwaardelijke invrijheidstelling voor 240 dagen wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden, waaronder bedreiging van de behandelaar, gebruik van verdovende middelen en onvoldoende medewerking aan urinecontroles.
Tijdens de terechtzitting op 9 juli 2021 werd de vordering gewijzigd tot 90 dagen, terwijl de raadsman pleitte voor 60 dagen vanwege een stijgende lijn in gedrag en de noodzaak van een behandelplan.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde verwijtbaar de bijzondere voorwaarden heeft overtreden en herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk voor 60 dagen, met het oog op het aanvragen van een indicatie en het vinden van een passende behandelplek.
De rest van de vordering wordt afgewezen.