Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Vordering
2..Feiten
3..Procedure
4..Conclusie officier van justitie
5..Standpunt verdediging
6..Beoordeling ontvankelijkheid
7..Beslissing
mr. R. Brand, politierechter,
mr. J.R. de Graaf,
10 november 2021.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 2 maanden reeds zijn uitgevoerd. De veroordeelde is preventief gedetineerd sinds 15 september 2021 na een bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging.
De wet stelt in artikel 6:6:21 lid 4 Sv Pro dat het onderzoek naar de vordering binnen 30 dagen na ontvangst van de vordering moet plaatsvinden. In deze zaak is deze termijn met 26 dagen overschreden, zonder dat hiervoor een geldige reden is gegeven door het Openbaar Ministerie. De verdediging voerde aan dat deze overschrijding, hoewel niet expliciet gesanctioneerd in de wet, wel tot niet-ontvankelijkheid van het OM moet leiden vanwege het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat de termijn niet zonder reden is opgenomen en dat het OM zich hieraan moet houden, zeker omdat het gaat om vrijheidsbeneming op basis van een voorlopige maatregel. De aanzienlijke overschrijding zonder verantwoording leidt tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Daarom wordt het OM niet-ontvankelijk verklaard en wordt het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging opgeheven.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de wettelijke termijn, en het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging wordt opgeheven.