Uitspraak
[naam veroordeelde] ,
Opgelegde straf
Rotterdam van 12 juli 2017 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde kreeg een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd en zou op 9 november 2021 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Het Openbaar Ministerie verzocht om uitstel van de VI met een termijn van 180 dagen, omdat de veroordeelde niet bereid was mee te werken aan een noodzakelijke klinische behandeling.
De rechtbank oordeelde dat het OM ontvankelijk was in de vordering en dat het recidiverisico niet adequaat kan worden beperkt met ambulante behandeling alleen. Diverse rapporten, waaronder een pro-justitiarapport en een advies van de reclassering, stelden dat de veroordeelde een ernstig persoonlijkheidsstoornis en alcoholafhankelijkheid heeft, en dat klinische behandeling noodzakelijk is om recidive en geweld te voorkomen.
De veroordeelde had bezwaar gemaakt tegen het uitstel en stelde dat het OM niet tijdig was, en dat onvoldoende inspanningen waren verricht om klinische behandeling tijdens detentie te realiseren. De rechtbank verwierp deze bezwaren en stelde dat de veroordeelde nu niet onbehandeld kan deelnemen aan de maatschappij.
De rechtbank bepaalde dat de VI wordt uitgesteld tot maximaal 180 dagen of totdat de veroordeelde aankomt in een zorginstelling voor klinische behandeling, en dat hij uiterlijk op 7 mei 2022 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.
Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld tot maximaal 180 dagen of totdat de veroordeelde klinische behandeling ondergaat.