ECLI:NL:RBROT:2021:11368

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
22 november 2021
Zaaknummer
C/10/623550 / JE RK 21-2165
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c lid 2 BWArtikel 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in pleeggezin

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzoekt de rechtbank om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen. De minderjarige verblijft sinds oktober 2020 in een pleeggezin na spoedplaatsing wegens ernstige verwaarlozing door de moeder. De pleegzorg heeft geleid tot positieve ontwikkelingen bij de minderjarige, die rustiger is geworden en beter functioneert op school.

De moeder werkt onvoldoende mee aan hulpverlening en weigert begeleide bezoeken, waardoor het contact met de minderjarige al geruime tijd ontbreekt. De vader woont in Polen en ondersteunt het verzoek tot verlenging, erkent de positieve situatie in het pleeggezin en wenst contact te onderhouden met de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. Het verblijf in het pleeggezin is in het belang van de minderjarige en een terugplaatsing naar de moeder is niet haalbaar. De verlenging wordt toegewezen tot 6 oktober 2022, met het doel de termijnen gelijk te laten lopen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 6 oktober 2022.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/623550 / JE RK 21-2165
Datum uitspraak: 28 september 2021
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2012 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van
6 augustus 2021, ingekomen bij de griffie op 6 augustus 2021.
Op 28 september 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de vader, dhr. [naam vader] , als informant;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. [naam tolk] , tolk in de Poolse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
Opgeroepen en niet verschenen is de moeder.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
Bij beschikking van 15 december 2020 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 15 december 2021.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 december 2020 ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 6 oktober 2021.

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen met een jaar.
Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] is een jaar geleden met spoed uit huis geplaatst vanwege ernstige verwaarlozing door de moeder. In het pleeggezin is hij positief vooruit gegaan in zijn ontwikkeling. [voornaam minderjarige] is rustiger geworden, gemotiveerd voor school en heeft contact met leeftijdsgenoten. Ook laat hij zich nu beter corrigeren. De pleegouders hebben aangegeven dat [voornaam minderjarige] bij hen kan blijven opgroeien. Ook [voornaam minderjarige] wil daar blijven wonen. De afgelopen periode heeft de moeder onvoldoende meegewerkt met de hulpverlening. Ook was zij niet bereid om mee te werken met de begeleide bezoeken, waardoor [voornaam minderjarige] zijn moeder al lange tijd niet meer heeft gezien. De moeder blijft de zorgen ontkennen. De vader van [voornaam minderjarige] woont in Polen en is af en toe voor zijn werk in Nederland. Als de vader in Nederland is, heeft hij contact met [voornaam minderjarige] .

Het standpunt van de vader

De vader is het eens met het verzoek. De vader begrijpt dat het een te grote stap is voor [voornaam minderjarige] om naar Polen te verhuizen. De vader weet dat [voornaam minderjarige] gelukkig is in het pleeggezin en dat daar goed voor hem wordt gezorgd. De vader zou [voornaam minderjarige] vaker willen zien, maar hij heeft ook zijn eigen privéleven in Polen. De vader vindt het goed als [voornaam minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen. Het is belangrijk dat het contact wordt onderhouden. De vader kan [voornaam minderjarige] bezoeken als hij in Nederland is, al is dat vanwege het werk van de vader wel op onregelmatige basis en voor [voornaam minderjarige] daarom onrustig. [voornaam minderjarige] mag de vader altijd bellen. De vader vindt het ook belangrijk dat in de opvoeding van [voornaam minderjarige] er aandacht is voor zijn Poolse afkomst.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
[voornaam minderjarige] verblijft sinds 6 oktober 2020 in een pleeggezin vanwege ernstige zorgen over verwaarlozing in de thuissituatie. In het pleeggezin heeft [voornaam minderjarige] een positieve ontwikkeling doorgemaakt. [voornaam minderjarige] is rustiger geworden, heeft meer zelfvertrouwen gekregen en kan zich weer kind voelen. Het afgelopen jaar zijn de zorgen over de moeder niet afgenomen. De moeder is onvoldoende in staat om te reflecteren op haar eigen handelen en toont geen inzicht in de ontwikkelingsbehoeften van [voornaam minderjarige] . Er lijkt sprake te zijn van psychische problematiek. De moeder ontkent de zorgen en weigert mee te werken met de hulpverlening. Ook is zij niet bereid om mee te werken aan een bezoekregeling met [voornaam minderjarige] , waardoor zij elkaar al geruime tijd niet hebben gezien. Een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder is daarom niet haalbaar en in het belang van [voornaam minderjarige] .
De vader woont met zijn nieuwe gezin in Polen en is voor zijn werk onregelmatig in Nederland. [voornaam minderjarige] heeft op die momenten contact met de vader. Het is fijn dat de vader het beste wil voor [voornaam minderjarige] en vindt dat [voornaam minderjarige] moet opgroeien in het pleeggezin. De GI heeft ter zitting gezegd dat er aandacht zal zijn voor het feit dat [voornaam minderjarige] van Poolse afkomst is. De komende periode dient een goede manier gevonden te worden om het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader te onderhouden.
De kinderrechter is van oordeel dat het verblijf van [voornaam minderjarige] in het pleeggezin voortgezet dient te worden in het belang van [voornaam minderjarige] . Ook is de inzet van een jeugdbeschermer nog noodzakelijk om zicht te houden op de moeder, om in te kunnen zetten op contactherstel tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader verder vorm te geven en de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] te volgen.
De termijnen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing lopen momenteel niet gelijk. Ten behoeve van het gelijk laten lopen van de termijnen zal de kinderrechter, zoals verzocht door de GI, de lopende maatregelen verlengen tot 6 oktober 2022 en het overig verzochte afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 6 oktober 2022;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot
6 oktober 2022;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2021 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 7 oktober 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.