Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
,
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker stelde dat de officier de wettelijke termijn van vier weken voor het indienen van een verzoek tot zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) had overschreden, waardoor hij spanning en frustratie had ervaren. De officier erkende de termijnoverschrijding maar betwistte de verwijtbaarheid daarvan.
De rechtbank oordeelde dat de termijn pas op 26 juli 2021 was gaan lopen, toen de schriftelijke mededeling van de geneesheer-directeur aan verzoeker werd verzonden. De officier had het verzoek pas op 3 september 2021 ingediend, wat een overschrijding van tien dagen betekende. De rechtbank verwierp het verweer van de officier dat de termijnoverschrijding niet verwijtbaar was, omdat de officier actief regie moet voeren op het tijdig aanleveren van benodigde stukken.
Op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz Pro kent de rechtbank een schadevergoeding toe van €20 per dag termijnoverschrijding, wat neerkomt op €200. De rechtbank verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van €200 schadevergoeding wegens verwijtbare termijnoverschrijding bij het indienen van een verzoek tot zorgmachtiging.