4.2.Beoordeling
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Naar aanleiding van een melding van een vrachtwagenchauffeur is op 21 april 2020 onderzoek ingesteld naar een trailer waarin pallets met kartonnen dozen werden vervoerd naar het Verenigd Koninkrijk. Na controle en onderzoek is gebleken dat in de kartonnen dozen behalve sponzen ook sloffen met daarin sigaretten voorzien van het Marlboro handelsmerk althans een daarop gelijkend teken, zaten. In totaal waren dit 728.000 sigaretten. Deze sigaretten zijn in beslag genomen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de sigaretten afwijken van originele Marlboro sigaretten en tevens dat de sigaretten niet waren voorzien van een vereiste accijnszegel.
De door de vrachtwagenchauffeur verstrekte coördinaten van het bedrijf waar hij de pallets had opgehaald hebben geleid naar een loods op de [adres 1], alwaar [naam bedrijf], een bedrijf van [naam medeverdachte], is gevestigd. Op 22 april 2020 heeft controle plaatsgevonden in deze loods. Bij aankomst bij de loods troffen de verbalisanten op de toegangsdeur een bord aan met het opschrift “[naam verdachte rechtspersoon]” en roken zij een tabakslucht. In de loods is een groot aantal dozen aangetroffen met daarin sloffen Marlboro sigaretten. In totaal betroffen dit 1.791.800 sigaretten. In een trailer die op het terrein van de loods stond, is 11.905,86 kg tabak aangetroffen.
Ook zijn er drie personen aangetroffen in en rondom de loods. Deze zijn aangehouden. In de woning van twee van deze verdachten, is een slof sigaretten aangetroffen die uit de loods afkomstig is.
In de loods in [plaatsnaam 2] is een huurovereenkomst aangetroffen op naam van de verdachte rechtspersoon voor een opslagruimte, gelegen aan de [adres 2]. Diezelfde dag heeft er ook controle plaatsgevonden in de loods op dat adres. Op de toegangsdeuren van deze ruimte hing eveneens een brief met daarop de tekst “[naam verdachte rechtspersoon]”. In de ruimte zijn dozen met daarin een grote hoeveelheid sloffen met Prince, Marlboro en L&M sigaretten, alsmede 7.355,54 kg tabak aangetroffen.
Uit onderzoek is komen vast te staan dat de in beide loodsen aangetroffen tabak en sigaretten onveraccijnsd en merkvervalst zijn.
Zowel in de loods in [plaatsnaam 1] als in de loods in [plaatsnaam 2] zijn naast tabak en sigaretten ook filters, folies en een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal voor sigaretten aangetroffen.
In de woning van [naam medeverdachte] is ook een aantal sloffen merkvervalste sigaretten in beslag genomen, waarvan op de pakjes ook het accijnszegel ontbrak.
Vast staat dat de loodsen in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] werden gehuurd door de verdachte rechtspersoon. In de ten laste gelegde periode was [naam medeverdachte] enig aandeelhouder en bestuurder van de verdachte rechtspersoon en degene die de feitelijke handelingen verrichte namens de verdachte rechtspersoon, [naam verdachte rechtspersoon]
Voor beide loodsen was geen vergunning als Accijnsgoederenplaats of Entrepot afgegeven.
[naam medeverdachte] heeft gezien dat er tabak in de trailer en verpakkingsmateriaal van sigaretten in de loods in [plaatsnaam 1] lag. Ook heeft hij in de loods in [plaatsnaam 2] een voorraad sigaretten zien liggen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voorop staat dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de desbetreffende gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
[naam medeverdachte] was enig bestuurder en was bevoegd om namens de verdachte rechtspersoon op te treden. Dat [naam medeverdachte] feitelijk de beschikking had over de onveraccijnsde sigaretten en tabak in de op haar naam gehuurde loodsen en trailer, staat niet ter discussie.
[naam medeverdachte] wist ook dat de sigaretten en tabak illegaal waar betrof. Hij zag zich immers geconfronteerd met opslag van tabak, sigaretten en verpakkingsmateriaal terwijl hij geen accijnsvergunning had voor de opslag van de sigaretten en tabak. Bovendien had hij zijn loodsen en de trailer onderverhuurd waarbij hij, naar zijn zeggen, zijn bedenkingen had bij bezigheden van deze onderhuurder. [naam medeverdachte] heeft de illegale sigaretten en tabak dus voorhanden gehad. Bij het plegen van dit feit heeft hij, namens de verdachte rechtspersoon, met andere één of meer onbekend gebleven mededaders samengewerkt. Hij heeft immers verklaard dat hij op verzoek van de onderhuurder van de loods in [plaatsnaam 1] op zoek ging naar een tweede loods en vervolgens voor hem de loods in [plaatsnaam 2] heeft gehuurd. Ook heeft hij, op verzoek van deze persoon, meegeholpen met het verhuizen van het sigarettenverpakkingsmateriaal van de ene naar de andere loods. Met deze handelingen heeft [naam medeverdachte] namens de verdachte rechtspersoon een substantiële bijdrage geleverd aan het voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten en de tabak. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat [naam medeverdachte] weliswaar bedenkingen had bij de onderhuurder van zijn loods in [plaatsnaam 1] maar dat dat er kennelijk niet toe geleid heeft dat hij zich heeft gedistantieerd. Integendeel, vervolgens heeft hij op verzoek van deze persoon een tweede loods gehuurd, heeft hij meegeholpen spullen te verhuizen en heeft hij uit die tweede opslag ook verschillende sloffen met illegale sigaretten mee naar huis genomen.
Naar het oordeel van het rechtbank kunnen de verboden gedragingen van [naam medeverdachte] aan de verdachte rechtspersoon worden toegerekend. [naam medeverdachte] was de enig bestuurder en de gedragingen vonden plaats binnen de sfeer van de rechtspersoon, die zich immers bezig hield met opslag en logistieke bezigheden. De verdachte rechtspersoon heeft hierbij opzettelijk gehandeld. Zoals hiervoor overwogen wist [naam medeverdachte] dat er sprake was van opslag van illegale sigaretten en tabak. Tot slot heeft de verdachte rechtspersoon dit feit tezamen en in vereniging met andere(n) heeft gepleegd, immers [naam medeverdachte] heeft nauw en bewust met andere(n) samengewerkt bij de opslag van de sigaretten en tabak.
Conclusie
De verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging opzettelijk voorhanden hebben van tabak en sigaretten, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken en bovendien merkvervalst waren. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.