ECLI:NL:RBROT:2021:11557
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks psychische klachten
Eiser, werkzaam als schoonmaker, meldde zich in 2013 ziek vanwege nek-, schouder- en later psychische klachten. Hij ontving een WIA-uitkering die door verweerder per 17 augustus 2020 werd beëindigd. Eiser betoogde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, mede vanwege een mogelijke depressieve stoornis met psychotische kenmerken, en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was.
Verweerder baseerde het besluit op rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige, die concludeerden dat eiser meer dan 65% van zijn loon kon verdienen en dat de diagnose depressieve stoornis met psychotische kenmerken onwaarschijnlijk was. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij ook een onafhankelijke psychiater was geraadpleegd die sprak van symptoomaggravatie en het ontbreken van een definitieve diagnose door het niet meewerken van eiser.
De rechtbank vond dat eiser het risico draagt van het niet meewerken aan diagnostiek en behandeling. De functionele mogelijkheden en arbeidsmogelijkheden waren correct vastgesteld, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het beroep tegen het besluit werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.