De rechtbank Rotterdam behandelde op 29 oktober 2021 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2021, die bij hun moeder wonen. De moeder kampte eerder met een cannabisverslaving en emotionele problematiek, wat leidde tot een onstabiele opvoedsituatie en tijdelijke plaatsing van het oudste kind in een pleeggezin. Sinds augustus 2021 wonen de kinderen weer bij de moeder en haar partner.
De Raad handhaafde het verzoek tot ondertoezichtstelling voor twaalf maanden vanwege zorgen over de opvoedomgeving, emotionele ontwikkeling en hechting, en vond de huidige hulpverlening onvoldoende. De moeder betwistte deze zorgen en verwees naar haar herstel, steun van haar partner en netwerk, en de wens om de kinderen pas later over hun biologische vaders te informeren.
De kinderrechter erkende de positieve ontwikkelingen maar oordeelde dat deze nog pril zijn en dat de complexe problematiek een voortdurende begeleiding vereist. Daarom werd de ondertoezichtstelling voor zes maanden toegekend, met een pro forma zitting over zes maanden om de voortgang te beoordelen. Tevens werd bepaald dat een persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder wordt afgenomen om passende hulpverlening te bepalen.