Eiseres stelde de gemeente Ridderkerk aansprakelijk voor het verwijderen van de grafsteen en de urn op het graf van haar moeder en vader. De moeder was in 2012 overleden en de vader in hetzelfde jaar gecremeerd, waarbij de vader grafrechten voor 20 jaar had afgekocht. Eiseres heeft zich echter niet als rechthebbende geregistreerd bij de gemeente, wat volgens de geldende Verordening Algemene Begraafplaatsen Ridderkerk verplicht was binnen zes maanden na overlijden.
De gemeente had eiseres meerdere keren per brief verzocht zich te registreren en had bovendien een bordje bij het graf geplaatst waarin de verwijdering van de grafsteen werd aangekondigd. Na het verstrijken van de termijn heeft de gemeente de grafbedekking verwijderd, conform de verordening. Eiseres voerde aan dat zij geen brief had ontvangen en dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld, maar de rechtbank oordeelde dat de gemeente aan haar verplichtingen had voldaan en dat het niet registreren van eiseres de bevoegdheid tot verwijdering gaf.
Eiseres vorderde ook een onderzoek naar de inhoud van het graf en de urn, uit vrees dat de grafrust was verstoord. De rechtbank stelde vast dat de grafrust van tien jaar was gerespecteerd en dat de urn met as van de vader in de bovenste grondlaag was begraven. De stelling van eiseres dat de grafrust was verstoord was onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de gemeente niet onrechtmatig had gehandeld en wees de vorderingen af. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de gemeente haar aanbod tot vergoeding van de kosten voor een vervangende grafbedekking en registratie als rechthebbende handhaafde.