Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair ten laste gelegde;
- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van voorarrest.
4..Waardering van het bewijs
in de richting vanmaar niet doelbewust
op[naam slachtoffer 1] heeft geschoten. Ook het schieten op de rijdende en de verdachte passerende auto, waarbij [naam slachtoffer 2] werd geraakt, gebeurde in een opwelling.
5..Strafbaarheid feiten
1..doodslag;
poging tot doodslag;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
6..Strafbaarheid verdachte
7..Motivering straf
8..Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
- De vorderingen van [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3] en [naam benadeelde 4] zijn integraal voor toewijzing vatbaar.
- De vordering van [naam benadeelde 1] dient tot een bedrag van € 20.177,07 te worden toegewezen. Voor wat betreft de gevorderde shockschade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
- De vordering van [naam slachtoffer 2] dient tot een bedrag van € 30.398,20 te worden toegewezen. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.
- De benadeelde partijen [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3] zijn niet-ontvankelijk in hun vorderingen, nu zij niet voldoen aan de vereisten voor affectieschade; voor [naam benadeelde 3] geldt voorts dat de gevorderde materiële schade niet in rechtstreeks verband staat tot het ten laste gelegde.
- De vordering van [naam slachtoffer 2] dient te worden afgewezen, gelet op zijn eigen schuld aan de feiten. Meer subsidiair wordt niet-ontvankelijkheid bepleit en meest subsidiair wordt verzocht de vergoeding te matigen gelet op zijn eigen aandeel.
- De vordering van [naam benadeelde 1] is toewijsbaar tot een bedrag van € 20.130,00 en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.
- De benadeelde partij [naam benadeelde 4] is niet-ontvankelijk, aangezien hij niet de gebruiker was van het voertuig ten tijde van de feiten.
andere feitelijke grondslagkent dan de onrechtmatige daad jegens het slachtoffer. Richtinggevende jurisprudentie van de Hoge Raad is er nog niet.
Eigen aandeel [naam slachtoffer 2]– op deze bedragen nog een matiging zal plaatsvinden.
Eigen aandeel [naam slachtoffer 2]– op deze bedragen nog een matiging zal plaatsvinden.
- aan [naam benadeelde 1] : € 20.177,07;
- aan [naam benadeelde 2] : € 17.500,00;
- aan [naam benadeelde 3] : € 17.500,00;
- aan [naam slachtoffer 2] : € 16.318,56;
- aan [naam benadeelde 4] : € 1.500,00.
9..Toepasselijke wettelijke voorschriften
10..Bijlagen
11..Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de na te noemen personen de navolgende bedragen te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2020, en beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal gijzeling zal worden toegepast voor de hierna volgende duur; toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;