Uitspraak
12 januari 2021.
[naam verdachte] ,
mr. S. van der Eijk, advocaat te 's-Gravenhage.
Rechtbank Rotterdam
De verdachte werd strafrechtelijk vervolgd voor het telen en voorhanden hebben van hennep en diefstal van elektriciteit in een woning waar een hennepkwekerij was gevestigd. Voor hetzelfde feitencomplex was eerder een bestuurlijke boete van 4.000 euro opgelegd door de gemeente Rotterdam op grond van de Huisvestingswet.
De verdediging stelde niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie omdat de bestuurlijke boete hetzelfde feit betrof. De officier van justitie betwistte dit en verwees naar jurisprudentie dat bestuursrechtelijke en strafrechtelijke feiten niet hetzelfde zijn. De rechtbank oordeelde dat de bestuurlijke boete hetzelfde feit betreft als de strafrechtelijke vervolging, gelet op eenheid in tijd en plaats en feitelijk complex.
De rechtbank overwoog dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 243 en Pro 255 Sv voor vervolging na bestuurlijke boete. Ook werd vastgesteld dat er geen daadwerkelijke onttrekking van woonruimte had plaatsgevonden, waardoor de belangen van de Woningwet niet waren geschonden. De politierechter verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
De verdachte had verklaard een hennepkwekerij te hebben opgezet uit financiële noodzaak en had spijt betuigd. Hij had een bestuurlijke boete betaald en een betalingsregeling getroffen voor de energiediefstal. De politierechter wees op het belang van rechtsbescherming en gaf aan dat zowel verdachte als officier van justitie in hoger beroep kunnen gaan.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging wegens oplegging van een bestuurlijke boete voor hetzelfde feitencomplex.