De zaak betreft een geschil tussen Stichting 3B Wonen en een huurder over de ontbinding en ontruiming van een woning vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid hasj en de daaropvolgende sluiting van de woning door de burgemeester.
3B Wonen vorderde primair een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en ontruiming van het gehuurde. Subsidiair werd ontbinding en ontruiming gevorderd wegens tekortkomingen van de huurder, waaronder overlast en drugshandel.
De huurder betwistte de vorderingen en stelde dat de drugs voor eigen gebruik waren, er geen bewijs was voor handel, en dat ontruiming disproportioneel zou zijn vanwege zijn kwetsbare persoonlijke situatie.
De kantonrechter oordeelde dat de buitengerechtelijke ontbinding op grond van de Opiumwet in beginsel gerechtvaardigd is, maar dat het belang van de huurder bij behoud van de woning zwaarder weegt dan het belang van de verhuurder. Tevens was onvoldoende bewijs geleverd voor drugshandel en overlast. De gevorderde boete werd afgewezen.
De vorderingen werden afgewezen en 3B Wonen werd veroordeeld in de proceskosten.