ECLI:NL:RBROT:2021:11937

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 september 2021
Publicatiedatum
3 december 2021
Zaaknummer
9140538
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:96 lid 5 BWArtikel 19 Zorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand zorgverzekering en incassokosten toegewezen aan zorgverzekeraar

De zaak betreft een vordering van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen tegen een verzekerde die een betalingsachterstand had op zorgpremies en eigen risico over de periode april 2013 tot november 2019. Na eerdere gerechtelijke uitspraak en een betalingsregeling, verviel deze regeling door het niet betalen van nieuwe facturen in 2020.

Zilveren Kruis vordert betaling van €1.641,99, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De verzekerde erkent de achterstand maar stelt financieel niet in staat te zijn de nieuwe facturen naast de betalingsregeling te voldoen en hoopt op een nieuwe regeling.

De kantonrechter stelt vast dat de betalingsachterstand onbetwist is en dat de betalingsregeling is komen te vervallen. De hoofdsom en rente worden toegewezen. Van de incassokosten wordt slechts een deel toegewezen omdat niet aan alle wettelijke eisen is voldaan. De verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag en de proceskosten. De kantonrechter geeft de verzekerde in overweging alsnog een betalingsregeling te treffen met de gemachtigde van Zilveren Kruis.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande premies, eigen risico, wettelijke rente en een deel van de buitengerechtelijke incassokosten aan Zilveren Kruis.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9140538 \ CV EXPL 21-12920
uitspraak: 3 september 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de naamloze vennootschap
Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 23 maart 2021,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘Zilveren Kruis’ respectievelijk ‘[gedaagde]’.

1..Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding, met producties;
  • de aantekeningen van de griffier van het op de rolzitting d.d. 9 juni 2021 door [gedaagde] gegeven mondelinge antwoord;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de aantekeningen van de griffier van het op de rolzitting d.d. 4 augustus door [gedaagde] gegeven mondelinge reactie.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van het volgende.
2.1.
[gedaagde] is met Zilveren Kruis een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] periodiek premie aan Zilveren Kruis is verschuldigd en daarnaast een eigen bijdrage verschuldigd is voor de aan haar verleende zorg. Indien er aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding voor verleende zorg, dan geldt ingevolge artikel 19 van Pro de Zorgverzekeringswet een verplicht eigen risico.
2.2.
In de periode april 2013 tot en met november 2019 heeft [gedaagde] een betalingsachterstand laten ontstaan met betrekking tot verschuldigde periodieke premies en eigen risico.
2.3.
Zilveren Kruis is met betrekking tot die betalingsachterstand een rechtszaak tegen [gedaagde] gestart. Daarin heeft de kantonrechter op 14 februari 2020 vonnis gewezen met betrekking tot de op dat moment uitstaande geldvordering. Partijen hebben naar aanleiding van de uitspraak een betalingsregeling getroffen, met ingangsdatum 1 maart 2020. Voorwaarde ter continuering van de betalingsregeling betreft de verplichting tot het betalen van nadien ontstane periodieke premies en eventuele later ontstane vorderingen ten aanzien van een aanspraak op eigen risico.
2.4.
Op 15 december 2020 heeft de gemachtigde van Zilveren Kruis per brief aan [gedaagde] meegedeeld dat de betalingsregeling is vervallen, als gevolg van het onbetaald laten van drie nieuwe facturen, die geen onderdeel van de betalingsregeling waren en nadien zijn verzonden.

3..De vordering

3.1.
Zilveren Kruis heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.641,99, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.636,82 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.
3.2.
Aan haar vordering heeft Zilveren Kruis - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met de betaling van het eigen risico en de periodieke premie. Het betreft een bedrag van in totaal € 1.636,82 aan hoofdsom. Wegens de vertraging in de betaling is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd over de hoofdsom. Die rente bedraagt tot de dag van de dagvaarding € 47,87. Door de wanbetaling van [gedaagde] zag Zilveren Kruis zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Die kosten ten bedrage van € 209,83 (inclusief btw) komen op grond van artikel 6:96 lid 5 BW Pro voor rekening van [gedaagde].

4..Het verweer

4.1.
[gedaagde] heeft de feiten waarop de vordering is gebaseerd niet betwist, maar heeft toegelicht dat de eerder overeengekomen betalingsregeling met Zilveren Kruis is komen te vervallen. [gedaagde] heeft een minimuminkomen en was financieel niet in staat om, naast het betalen van de termijnen uit de betalingsregeling, de drie nieuwe rekeningen uit 2020 te voldoen. De betalingsregeling is [gedaagde] echter altijd blijven doorbetalen. Zij hoopt dat de drie nieuwe rekeningen onderdeel kunnen worden van de eerder overeengekomen betalingsregeling.

5..De beoordeling

5.1.
[gedaagde] heeft de stellingen van Zilveren Kruis niet betwist. In rechte moet daarom worden uitgegaan van de juistheid daarvan. Vaststaat dat Zilveren Kruis twee dossiers ten name van [gedaagde] aanhoudt; één voor vorderingen inzake niet betaalde premie en één voor niet betaalde zorgkosten nota’s, geregistreerd onder respectievelijk de nummers [nummer 1] en [nummer 2]. Ten aanzien van het laatstegnoemde dossier heeft Zilveren Kruis in februari 2020 [gedaagde] in rechte betrokken. De vordering zag op facturen uit de periode van april 2013 tot en met oktober 2016. Naar aanleiding van de uitspraak in die zaak zijn Zilveren Kruis en [gedaagde] een betalingsregeling overeengekomen voor zowel de vorderingen uit dossier [nummer 2], als de vorderingen uit dossier [nummer 1]. Verder staat vast dat [gedaagde] de nadien ontstane vorderingen niet heeft voldaan, waarna de betalingsregeling tussen partijen is komen te vervallen en de hoofdsom, bestaande uit het totaal van de nog openstaande vorderingen inzake dossiers [nummer 1] en [nummer 2], opeisbaar is geworden. [gedaagde] is gehouden de periodieke premie en het eigen risico te betalen. De gevorderde hoofdsom ten bedrage van € 1.636,82 zal dan ook worden toegewezen.
5.2.
[gedaagde] is bereid om de betalingsachterstand door middel van een regeling af te lossen. Op grond van artikel 6:29 BW Pro is de kantonrechter niet bevoegd een betalingsregeling vast te stellen in het vonnis zonder instemming van Zilveren Kruis. De kantonrechter geeft [gedaagde] daarom in overweging zich binnen korte termijn na ontvangst van dit vonnis (nogmaals) tot de gemachtigde van Zilveren Kruis te wenden, teneinde alsnog te proberen om een betalingsregeling overeen te komen.
5.3.
De gevorderde rente is als onbetwist en op de wet gegrond toewijsbaar en zal dan ook worden toegewezen.
5.4.
Zilveren Kruis maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten tot een totaalbedrag van € 209,83 (inclusief btw). De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In deze beoordeling worden uitsluitend de overgelegde aanmaningen die voldoen aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eisen, meegenomen. Voor de vaststelling van de aan Zilveren Kruis toekomende vergoeding voor incassokosten zal worden uitgegaan van het totaalbedrag waarvoor [gedaagde] kosteloos is aangemaand in de brief van 2 maart 2017, te weten € 104,44 (inclusief btw). Derhalve is aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 104,44 toewijsbaar. De in de brief van 10 april 2019 aangezegde buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar, aangezien die aanzegging niet voldoet aan de eisen ingevolge de hiervoor genoemde wettelijke bepaling. In die aanzegging is de verschuldigdheid van de aangezegde buitengerechtelijke kosten immers gekoppeld aan betaling van de totale openstaande schuld, terwijl die kosten alleen verschuldigd zijn in het geval de nieuwe schuld niet binnen een termijn van veertien dagen betaald wordt. Het had dan ook op de weg van Zilveren Kruis gelegen om in de brief van 10 april 2019 niet te spreken over “de nieuwe hoofdsom”, maar daarin op te nemen het bedrag van de nieuwe schuld.
5.5.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, bestaande uit verschotten en gemachtigdensalaris. De verschotten zijn vastgesteld op € 507,00 aan griffierecht en € 108,22 aan exploot- en informatiekosten. Het salaris voor de gemachtigde van Zilveren Kruis wordt begroot op (2 punten à € 187,00) in totaal € 374,00.

6..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Zilveren Kruis tegen kwijting te betalen € 1.641,99, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.636,82 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zilveren kruis vastgesteld op € 615,22 aan verschotten en € 374,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 50724