Verzoekers hebben een schuldregeling aangeboden waarbij zij 3,92% van hun schuldenlast aan concurrente schuldeisers willen betalen, gefinancierd door familieleden. Twee van de vier schuldeisers, die samen 96,85% van de schulden vertegenwoordigen, weigeren in te stemmen omdat het aanbod te laag is en niet gebaseerd is op het maximaal haalbare. De rechtbank overweegt dat het voorstel gebaseerd is op het inkomen van verzoekster, terwijl onvoldoende is aangetoond dat verzoeker de komende drie jaar niet kan werken. De medische stukken ontbreken om blijvende arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Hierdoor is het niet aannemelijk dat het aanbod het uiterste is wat verzoekers kunnen bieden.
De rechtbank stelt dat de belangen van de weigeraars zwaarder wegen dan die van verzoekers en overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek om dwangakkoord afgedaan. De rechtbank zal in een aparte beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingaan.
De uitspraak is gedaan door rechter C.G.E. Prenger op 30 november 2021 in Rotterdam.