ECLI:NL:RBROT:2021:11962

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
FT EA 21/1338/ FT EA 21/1339
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot dwangakkoord wegens niet maximaal haalbare schuldregeling

Verzoekers hebben een schuldregeling aangeboden waarbij zij 3,92% van hun schuldenlast aan concurrente schuldeisers willen betalen, gefinancierd door familieleden. Twee van de vier schuldeisers, die samen 96,85% van de schulden vertegenwoordigen, weigeren in te stemmen omdat het aanbod te laag is en niet gebaseerd is op het maximaal haalbare. De rechtbank overweegt dat het voorstel gebaseerd is op het inkomen van verzoekster, terwijl onvoldoende is aangetoond dat verzoeker de komende drie jaar niet kan werken. De medische stukken ontbreken om blijvende arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Hierdoor is het niet aannemelijk dat het aanbod het uiterste is wat verzoekers kunnen bieden.

De rechtbank stelt dat de belangen van de weigeraars zwaarder wegen dan die van verzoekers en overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek om dwangakkoord afgedaan. De rechtbank zal in een aparte beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingaan.

De uitspraak is gedaan door rechter C.G.E. Prenger op 30 november 2021 in Rotterdam.

Uitkomst: Het verzoek om dwangakkoord wordt afgewezen omdat het aangeboden akkoord niet het maximaal haalbare is.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 30 november 2021
in de zaak van:
[verzoeker ]
wonende te [adres ]
[woonplaats ],
en
[verzoekster],
wonende te [adres ]
[woonplaats ],
hierna tezamen: verzoekers.

1..De procedure

Verzoekers hebben op 29 oktober 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
  • [schuldeiser 1] (hierna: [schuldeiser 1]);
  • [schuldeiser 2] (hierna: [schuldeiser 2]);
  • [schuldeiser 3] (hierna: [schuldeiser 3]);
die weigeren mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] hebben voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Bazuin & Partners heeft namens [schuldeiser 2] voorafgaande aan de zitting, bij e-mail van
10 november 2021, aan schuldhulpverlening te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Schuldhulpverlening heeft het akkoord op 15 november 2021 aan de rechtbank doen toekomen.
Ter zitting van 30 november 2021 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • verzoekster;
  • dhr. mr. T. Çatak, advocaat bij West5 Advocaat (hierna: schuldhulpverlening),
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift vier concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 163.229,38 van verzoekers te vorderen.
Verzoekers hebben bij brieven van 5 mei 2021 en 25 september 2021 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,92% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. Het voorstel is gebaseerd op het huidige inkomen van verzoekster op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt 32 uur per week in de zorg en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Verzoeker heeft geen inkomen en is op 12 juli 2021 medisch gekeurd. Uit het medisch keuringsrapport blijkt dat verzoeker met name last heeft van psychische problematiek. Verzoeker heeft tijdelijk geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor het verrichten van gangbare arbeid of het volgen van een re-integratietraject. Medisch heronderzoek wordt geadviseerd over 9-12 maanden. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Het akkoord wordt qua financiering mogelijk gemaakt door familieleden van verzoekers. Zij stellen het afkoopbedrag als schenking beschikbaar aan verzoekers. Van hen wordt geen tegenprestatie verwacht, behalve geen nieuwe schulden aangaan. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Ter zitting is door verzoeker verklaard dat hij in het verleden schulden heeft laten ontstaan bij familieleden en kennissen door zijn gokverslaving. Verzoeker heeft hiervoor een traject gevolgd bij Ready for Change en heeft dit traject met goed resultaat volbracht op 22 januari 2019. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij sindsdien niet meer heeft gegokt. Verzoekster heeft desgevraagd verklaard dat de schulden aan familieleden en kennissen inzake het gokken reeds voldaan zijn.
Thans stemmen twee schuldeisers met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van respectievelijk € 150.314,72 en
€ 7.767,34 op verzoekers, welke 92,09% en 4,76% van de totale schuldenlast belopen.

3..Het verweer

In hun verweerschriften hebben [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Het aanbod zou niet in verhouding staan met de totale schuldvordering. Bovendien wijzen [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] erop dat het dwangakkoord niet bedoeld is voor een situatie waarin de weigerende schuldeisers het grootste deel van de schuldenlast (98,49%) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen. Daarnaast is in de visie van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op het inkomen van verzoekster. Het is onvoldoende gebleken dat verzoeker in de komende drie jaar niet in staat zal zijn om aan het werk te gaan. Van hem kan worden gevergd dat hij zich maximaal inspant om meer inkomsten te genereren. [schuldeiser 1] wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoeker zich maximaal inspant om zoveel mogelijk baten voor zijn schuldeisers te verwerven.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 96,85 % daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] in redelijkheid niet konden weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht.
Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van het dienstverband van verzoekster. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoeker de komende drie jaar niet in staat zou zijn om (al dan niet gedeeltelijk) te werken. Verzoeker is voor het laatst op 12 juli 2021 gekeurd, waarbij een medische herbeoordeling werd geadviseerd over negen tot twaalf maanden. Verzoeker heeft geen medische stukken overgelegd, waar blijkt dat hij de komende drie jaar onverminderd arbeidsongeschikt is. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker blijvend is. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat verzoekers met het inkomen van verzoekster afloscapaciteit hebben. Indien verzoeker ook inkomen verwerft zal dit daarom vrijwel zeker leiden tot een hogere uitkering aan de schuldeisers.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekers of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser 1] en [schuldeiser 3] te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op de verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 november 2021.