ECLI:NL:RBROT:2021:11967

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 juni 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
ROT 20/2796
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar tegen stopzetting WAO-uitkering

Opposant maakte bezwaar tegen de stopzetting van zijn WAO-uitkering door het UWV, maar deed dit buiten de wettelijke termijn van zes weken. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond omdat het bezwaar te laat was ingediend. Opposant stelde in verzet dat hij de brief over de stopzetting aanvankelijk als phishing beschouwde en pas later op de hoogte was van het besluit, waardoor de termijn volgens hem pas later was gaan lopen.

Tijdens de zitting verklaarde opposant dat hij door zijn psychische gesteldheid en het wantrouwen jegens de communicatie van het UWV niet tijdig bezwaar kon maken. Hij vermoedde dat de correspondentie frauduleus was en dat hij werd misleid door derden, wat hem verhinderde adequaat te reageren.

De verzetrechter oordeelde dat deze omstandigheden de termijnoverschrijding verschoonbaar maken en dat het beroep niet zonder zitting had mogen worden afgedaan. Het verzet is daarom gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat. De rechtbank benadrukte het belang van een zorgvuldige behandeling met oog voor de bijzondere situatie van opposant.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard vanwege verschoonbare termijnoverschrijding, waardoor de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2796
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2021 als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[naam opposant], te [woonplaats opposant], opposant,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 november 2020 in het geding tussen opposant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: verweerder) over het besluit van 16 april 2020.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 27 november 2019 de uitbetaling van de WAO-uitkering van opposant stopgezet met ingang van 1 december 2019.
Bij brief van 27 januari 2020, ontvangen door de rechtbank op 27 januari 2020, heeft opposant tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft het bezwaarschrift ter verdere behandeling doorgezonden naar verweerder.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 16 april 2020 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat niet binnen de termijn van zes weken, bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bezwaar is gemaakt en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 18 november 2020 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het beroep ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 21 mei 2021. Opposant was aanwezig.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 18 november 2020 het beroep van opposant terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat opposant de bezwaartermijn heeft overschreden en dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Opposant heeft niet betwist dat hij het primaire besluit heeft ontvangen. Dat opposant vermoedt dat de brieven en berichten van verweerder frauduleus tot stand zijn gekomen, vormt geen reden om het verzuim verschoonbaar te achten.
3. In verzet voert opposant aan dat hij eerst op 23 december 2019 op de hoogte geraakt is van het besluit van verweerder om, kortgezegd, zijn WAO-uitkering stop te zetten. De brief van 27 november 2019 heeft hij wel ontvangen, maar hij heeft dit echter aangemerkt als een phishingmail. Daarom heeft opposant een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter terwijl hij dit bij de bestuursrechter had moeten doen. De rechtbank heeft, zo begrijpt de verzetrechter, het verzoekschrift ten onrechte aangemerkt als bezwaarschrift en doorgezonden aan verweerder. Volgens opposant is indiening van een verzoekschrift bij de rechtbank echter wel het aangewezen rechtsmiddel om op te komen tegen het primaire besluit. Doordat de rechtbank het verzoekschrift heeft aangemerkt, is de bezwaartermijn van toepassing geworden op het verzoekschrift en is het daarmee aan de rechtbank te wijten dat opposant in verzuim is tijdig bezwaar te maken tegen het primaire besluit. Gelet op het voorgaande meent opposant dat de bezwaartermijn is gaan lopen op 23 december 2019 en niet op 27 november 2019 waardoor het verzoekschrift van 27 januari 2020 tijdig is ingediend. Daarom is hij niet in verzuim tijdig het bezwaarschrift in te dienen.
4. De verzetrechter oordeelt als volgt.
5. Ter zitting heeft opposant onder meer verklaard dat hij vermoedt dat de brieven van opsporingsdiensten afkomstig zijn en niet van verweerder. De stukken die hij ontvangen heeft van de betreffende afzender zijn in werkelijkheid een soort phishingbrieven bedoeld om hem erin te luizen. Daarom is hij ook niet ingegaan op de uitnodigingen van de afzender. Daarbij is opposant gebeld door een callcenter. Hij heeft hierover op zitting verklaard dat het geluid wat hij hoorde te mooi was en dat hij daarom vermoedde dat hij erin geluisd werd. Opposant heeft tijdens dat telefoongesprek aangegeven niet te kunnen verifiëren dat het daadwerkelijk om een medewerker van het UWV ging en heeft daarom verzocht om een schriftelijke uitnodiging te krijgen via ‘mijn overheid’. Hij heeft deze uitnodiging echter via de post ontvangen. Dit is ongebruikelijk. Daarbij is hij ook opgebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van het UWV met verzoek om een uur eerder te komen naar een afspraak bij het UWV. Dit is eveneens bevreemdingwekkend volgens opposant. Hij vermoedt dan ook dat er een particulier recherchebureau gevestigd zit op de twee bovenste verdiepingen van het betreffende kantoor en dat dit alles bedoeld was om hem in de val te lokken. Omdat opposant denkt dat degene die hem de brieven verstuurd heeft, niet van het UWV is, heeft hij zijn beroepschrift naar de rechtbank gestuurd nadat hij erachter kwam dat zijn uitkering was gestopt. De stopzetting van de uitkering is ook geen besluit van het UWV, opposant vermoedt dat het hier om een hack gaat.
6. Gelet op bovenstaande verklaringen is de verzetrechter gebleken dat de termijnoverschrijding in het geval van opposant verschoonbaar geacht kan worden gelet op de werkelijkheid waarin opposant kennelijk leeft. Opposant is er absoluut van overtuigd dat alle correspondentie die hij heeft ontvangen over zijn WAO-uitkering niet afkomstig was van het UWV. Bij een mondelinge behandeling van het beroep was dit naar alle waarschijnlijkheid wel duidelijk geworden. De verzetrechter is van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest bij het tijdig maken van bezwaar. Zijn psychische gesteldheid en de daaruit volgende waarneming van de werkelijkheid maakte het hem kennelijk onmogelijk om tijdig bezwaar te maken.
7. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. Daarbij merkt de verzetrechter op dat het hem aangewezen voorkomt dat verweerder zich bij de behandeling van het beroep ter zitting laat vertegenwoordigen door een procesvertegenwoordiger of zaaksbehandelaar die kan inspelen op de gesteldheid van opposant gelet op het diepgewortelde wantrouwen in verweerder en zijn communicatie. Bij voorkeur zouden dan met opposant proces-afspraken gemaakt kunnen worden over de verdere behandeling door het UWV van deze procedure.
8. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Tijssen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 juni 2021.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.