Eiser ontving vanaf maart 2020 een bijstandsuitkering. Verweerder vorderde op grond van de Participatiewet een bedrag terug over november 2020, gebaseerd op een beëindigingsvergoeding die eiser ontving na beëindiging van zijn dienstverband. Verweerder stelde dat de bijschrijvingen als inkomsten moesten worden aangemerkt en dat de terugvordering en verrekening rechtmatig waren.
Eiser voerde aan dat de vergoeding betrekking had op een periode vóór de bijstand en dat verrekening leidde tot betalingsachterstanden. De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende motiveerde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het besluit niet in stand kon blijven.
Desondanks vond de rechtbank dat de terugvordering op grond van de Participatiewet gerechtvaardigd was en dat de verrekening niet zorgvuldig was afgewogen, wat strijdig was met de Algemene wet bestuursrecht. Omdat eiser zijn betalingsachterstanden inmiddels had ingelopen, konden de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.