ECLI:NL:RBROT:2021:12007

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 december 2021
Publicatiedatum
7 december 2021
Zaaknummer
ROT 21/4123
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 1 PwArt. 32 lid 1 PwArt. 32 lid 2 PwArt. 58 lid 2 PwArt. 58 lid 4 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvorderingsbesluit bijstand wegens onvoldoende motivering en ondeugdelijke belangenafweging

Eiser ontving vanaf maart 2020 een bijstandsuitkering. Verweerder vorderde op grond van de Participatiewet een bedrag terug over november 2020, gebaseerd op een beëindigingsvergoeding die eiser ontving na beëindiging van zijn dienstverband. Verweerder stelde dat de bijschrijvingen als inkomsten moesten worden aangemerkt en dat de terugvordering en verrekening rechtmatig waren.

Eiser voerde aan dat de vergoeding betrekking had op een periode vóór de bijstand en dat verrekening leidde tot betalingsachterstanden. De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende motiveerde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het besluit niet in stand kon blijven.

Desondanks vond de rechtbank dat de terugvordering op grond van de Participatiewet gerechtvaardigd was en dat de verrekening niet zorgvuldig was afgewogen, wat strijdig was met de Algemene wet bestuursrecht. Omdat eiser zijn betalingsachterstanden inmiddels had ingelopen, konden de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/4123

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [woonplaats eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S.M.J. Iqbal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder

(gemachtigde: C. Verkerk).

Procesverloop

Met het besluit van 28 januari 2021 (primair besluit) heeft verweerder van de aan eiser verstrekte bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) over de maand november 2020 een bedrag van € 1.059,03 teruggevorderd en bepaald dat in verband hiermee in de maanden februari 2021 en maart 2021 bedragen van respectievelijk € 529,52 en € 529,51 worden gekort op de uitkering van eiser.
Met het besluit van 16 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2021 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt vanaf 22 maart 2020 een bijstandsuitkering op grond van de Pw. In het kader van een heronderzoek heeft verweerder vastgesteld dat eiser in de maand november 2020 een aantal bijschrijvingen van derden op zijn rekening heeft ontvangen, waaronder op 20 november 2020 een vergoeding van € 982,05 in verband met de beëindiging van een dienstverband per 12 maart 2020 (hierna: de beëindigingsvergoeding).
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. De bijschrijvingen moeten worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw. Verweerder was bevoegd om de bijstand over de maand november 2020 te herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand te verrekenen op grond van artikel 58, vierde lid, van de Pw.
3. Eiser heeft het volgende aangevoerd. De door eiser ontvangen beëindigingsvergoeding heeft betrekking op de periode van vóór de bijstandsverlening en dient daarom op grond van artikel 32, tweede lid van de Pw aan die periode te worden toegerekend. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van eiser. Door de verrekening is eiser in de problemen gekomen met de betaling van zijn vaste lasten. Eiser heeft betalingsachterstanden opgebouwd. Eiser heeft hierop in de bezwaarfase gewezen.
4.1.
Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat aan de terugvordering schending van de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Pw ten grondslag ligt. De rechtbank oordeelt dat dit niet, althans onvoldoende duidelijk blijkt uit het bestreden besluit. Ook uit het primaire besluit blijkt dit niet. In geen van de besluiten is vermeld dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen, laat staan dat dit standpunt is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom niet toereikend gemotiveerd. Reeds daarom is het beroep gegrond, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
4.2.
De rechtbank zal vervolgens nagaan of er aanleiding bestaat om, op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
4.3.
Eiser heeft ter zitting gesteld dat verweerder bekend was met de beëindigingsvergoeding (eiser was in dienst bij “Stroomopwaarts MWS”) en dat hij daarom zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Verweerder heeft daarop onder meer verklaard dat, zelfs als er geen sprake zou zijn van schending van de inlichtingenverplichting, een grondslag voor de terugvordering te vinden is in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw.
4.4.
Eiser heeft op zichzelf niet betwist dat, als uitgegaan moet worden van inkomsten (in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw) die toegerekend kunnen worden aan de maand november 2020, een grondslag voor de terugvordering is gelegen in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Het betoog van eiser dat de beëindigingsvergoeding moet worden toegerekend aan de periode van vóór bijstandsverlening, volgt de rechtbank niet. Een beëindigingsvergoeding is in het algemeen bedoeld om te voorzien in de bestaanskosten in de periode na beëindiging van de arbeidsovereenkomst (vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 3 januari 2006, ECLI:CRVB:2006:AU9495, en van 8 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8227). Dat dit uitgangspunt hier niet geldt, is niet gebleken. Voor het overige heeft eiser het standpunt van verweerder dat de bijschrijvingen als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw moeten worden aangemerkt, niet bestreden. Evenmin heeft eiser bestreden dat verweerder, gelet daarop, bevoegd was tot herziening en terugvordering en dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Of eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, kan daarom in het midden blijven.
4.5.
Ter zitting is gebleken dat eiser met name problemen heeft met het feit dat verweerder tot verrekening is overgegaan. Verweerder heeft het terugvorderingsbedrag in twee grote bedragen ingehouden op zijn uitkering, waardoor eiser betalingsachterstanden heeft opgelopen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de zaak in dit opzicht geen schoonheidsprijs verdient en dat in zulke gevallen meestal een betalingsregeling wordt afgesproken. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat, bij de beoordeling van verweerder of hij in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verrekening op grond van artikel 58, vierde lid, van de Pw gebruik kon maken, geen sprake is geweest van een deugdelijke belangenafweging. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:4 van Pro de Awb. Ook daarom is het beroep gegrond.
4.6.
Dit laatste maakt niet dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Eiser heeft namelijk ter zitting verklaard dat hij zijn betalingsachterstanden inmiddels geheel heeft ingelopen en dat een oplossing voor de betalingsachterstanden daarom niet meer nodig is.
4.7.
De conclusie is dat, gelet op wat in 4.3 en in 4.6 is overwogen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
5. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, zal worden bepaald dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 49,-- vergoedt.
6. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven:
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 49,-- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.I.M. Smid, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.