De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een bedrijfspand te Hellevoetsluis, dat oorspronkelijk een dijkwoning was en nu als kantoor met opslagruimte wordt gebruikt. Verweerder stelde de waarde voor het belastingjaar 2020 vast op €144.000, terwijl eiser een hogere waarde van €234.000 vorderde. De rechtbank oordeelt dat de waardepeildatum 1 januari 2019 is en dat de waardering volgens de huurwaarde-kapitalisatiemethode (hwk-methode) dient plaats te vinden.
Verweerder gebruikte een kapitalisatiefactor van 9,3 en baseerde de huurwaarde op vergelijkingsobjecten die eiser niet betwistte. Het taxatierapport van 2017 werd als onvoldoende onderbouwing verworpen omdat de gebruikte transacties niet inzichtelijk waren. De vergelijkingsobjecten van verweerder waren beter gelegen en groter, maar hadden lagere of vergelijkbare huurprijzen, wat de vastgestelde huurwaarde ondersteunt. De door eiser aangevoerde eigen vergelijkingsobjecten en opslagruimten waren niet goed vergelijkbaar met het pand.
De rechtbank accepteert de vuistregel voor de bepaling van de restgrond en wijst het bezwaar tegen de grondprijs af. Ook het verzoek om schadevergoeding wegens vermeende nalatigheid van verweerder wordt afgewezen, omdat geen onrechtmatig besluit of handeling is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.